Predikheerlijke Zomer - Marked Men
Alive and ass kicking
Marc Goossens
Het Predikheren, Mechelen — 31 juli 2026
Eeuwige rust in hemelse vrede? "Fake news!", als je de geesten van de dominicanen moet geloven, die nu al eeuwen rondspoken in het Mechelse Predikherenklooster. Gelukkig maar dat hun stoffelijke resten al een poos geleden elders werden ondergebracht, of ze hadden voor een tweede keer in drie dagen tijd hun ferm door elkaar gerammelde knoken kunnen herschikken.

Het stof was nauwelijks gaan liggen na de wervelende doortocht van David Ronaldo & the Dice en Copperhead County, of er stond op vrijdag 31 juli al een volgende band klaar om de keien van de binnentuin (en een handvol blijmoedige benenzwaaiers in het publiek) aan het dansen te brengen. De organisatoren - Predikheerlijke Zomer en vzw Het Paradijs – hadden aangekondigd dat dit een avond vol rauwe blues, roots, swamp en rockabilly ging worden, en dat zorgde ook nu weer voor een flink volgelopen pandhof.
Speelden ten dans: Marked Men, een viertal dat minstens een eervolle vermelding verdient in het Guiness Book Of Records, want een halve week voor het concert bestond de band – zeggen en schrijven – alleen nog maar op papier. Amper twee repetities later zetten ze in het Predikheren echter een set neer die de aanwezigen nog lang zal heugen. Maar ook al vlogen ze er na de deskundige inleiding (door een notoire Mechelse melomaan) meteen in als jonge honden die voor het eerst van de lijn mogen, de vier waren allerminst onbekend, onbemind en onervaren.
Met zanger-harpist Steven Troch (Fried Bourbon, Steven Troch Band, The Odd Cases, Tiny Legs Tim) en gitarist Steve Ceulemans (Red Red, Betty Cash Storytellers, Broeder Krom, Johnny Trash) stonden er zelfs twee Mechelaars op het podium. De al even gepokte en gemazelde roots- en rockabillyveteranen Clark Kenis (Clark & The Aces, Moonshine Reunion, Walter Broes & The Mercenaries) op zang en contrabas, en Dennis De Gier (Steven Troch Band, Belle Starr & the Boot Jacks) op drums maakten het klavertjevier compleet.
Hun missie: rockabilly, roots, swamp en blues prediken, in de meest pure en onversneden vorm. Dat deden ze met een uitgelezen selectie covers van songs die in veel gevallen al een halve eeuw – en véél langer – geleden geschreven werden, maar nog steeds van generatie op generatie worden doorgegeven. Het muzikale estafettestokje is bij Marked Men wat dat betreft absoluut in goede handen, want na opener Scratch My Back van bluesharppionier Slim Harpo (maar zie ook: The Fabulous Thunderbirds) krabden de meeste mensen op de binnenkoer zich niet op de rug, maar wel achter de oren: was dit nog steeds 2026, of waren we teruggereisd naar 1956?
Slim Harpo was uiteraard niet de enige mondharmonicalegende die vrijdagavond werd geëerd met een vinnige, opwindende cover. Zo mocht uiteraard Little Walter niet ontbreken, de man die ooit begon in de band van Muddy Waters, maar later solo ging. Van hem kregen we twee nummers te horen: My Baby - zijn grootste hit - vóór de pauze, en Mellow Down Easy helemaal op het einde, in de bisronde. Beide songs zijn van de hand van bassist en componist Willie Dixon, die ook verantwoordelijk was voor enkele andere nummers op de setlist: You’ll Be Mine van Howlin’ Wolf en Pretty Baby, speciaal geschreven voor Buddy Guy (en later ook gecoverd door Kim Wilson van The Fabulous Thunderbirds), vrijdag allebei perfect gebracht door Marked Men.
Over Buddy Guy – onlangs negentig geworden – gesproken: hij speelde mee op één van de versies die zanger-harpist Junior Wells opnam van het meeslepende Early In The Morning, een klassieker die zijn grote voorbeeld Sonny Boy Williamson I bijna negentig jaar geleden schreef, en in het Predikheren op heel wat bijval kon rekenen. Het contrast met het eerder gespeelde, opzwepende Shake The Boogie van diezelfde Williams, kon nauwelijks groter zijn.
Maar de band beperkte zich niet tot de grote, enigszins voor de hand liggende namen. Uit hun platencollecties diepten ze ook enkele verborgen parels op, om die vervolgens nieuw leven in te blazen. Van Bill Haley-protégé Lou Graham kregen we zo het energieke Wee Willie Brown te horen, een song die aan de grondslag lag van de rockabilly. In dezelfde lijn lag Keep On Lovin’ Me Baby van Otis Rush, eind jaren tachtig in een strakke en droge rockabillyversie hernomen door The Paladins, van wie ook Playgirl - één van hun weinige zelf gecomponeerde nummers - niet ontbrak.
Even verrassend waren Miss You So, ooit opgenomen als B-kantje door de veel te jong gestorven Tiny Popsy, Travelin’ Mood van James “Wee Willie” Wayne (geschreven als een New Orleans R&B-song, maar later veel bekender in de versie van de blinde gitarist Snooks Eaglin’), en Weary Blues Goodbye van Bob Perry (een country-artiest die plots zin kreeg in een uitstapje naar de blues). En als we het dan toch hebben over countrymuzikanten die niet vies waren van een brok blues of rockabilly, dan kunnen we niet om Johnny Cash heen, met wiens Cocaine Blues de bisronde werd aangevat.
Susie Q – van Dale Hawkins, maar onsterfelijk gemaakt door The Rolling Stones en vooral Creedence Clearwater Revival – lokte het grootste herkenningsapplaus uit, Third Stone From The Sun van Jimi Hendrix sloeg – met de pauze in zicht - in als een uit koers geslagen meteoriet. Met What’s My Number van Binky Griptite (gitarist van Sharon Jones & The Dap-Kings) en I Don’t Owe You Anything (dat we ook al eens eerder hoorden, al twijfelen we of dat nu bij The Black Keys was of bij Gary Clark Jr.) liet de band horen dat er ook in de eenentwintigste eeuw muziek wordt gemaakt die zich zonder blozen naast de golden oldies mag plaatsen. Ook de mamboblues van La Perla, uit Steven Trochs soloplaat 'Nice ‘N’ Greasy', en bluesrocker Diggin’ A Hole van zijn oude band Fried Bourbon, hadden hun plaats op de setlist zeker niet gestolen.
Steven Troch en Clark Kenis excelleerden vrijdag niet alleen op hun instrument, ze losten elkaar ook voorbeeldig af op leadzang, zodat ze om beurten op adem konden komen. Dat was ook nodig, want de opwindende, rafelige riffs en licks die door Steve Ceulemans aan elkaar werden geregen en de loeistrakke drums van Dennis De Gier gunden hen geen moment rust. Het spelplezier spatte eraf, maar ook het publiek kirde van de pret.
Alle jeremiërende kloosterbroeders in het hiernamaals ten spijt, stonden de enige echte predikheren dus op het podium, alive and ass kicking, de blues te belijden. Na twee keer drie kwartier – met tussendoor de obligate “hydration break” en op het einde nog wat extra tijd - was iedereen winnaar: de band, het publiek én de muziek. Want als er één ding duidelijk werd na deze gloedvolle set, dan is het wel dat ook dit muzikale erfgoed anno 2026 nog steeds springlevend is.

