Messidor - Lizières
Klankzalf
Marc Goossens — 6 september 2026

De lat lag al hoog na debuut ‘When Things Go Missing’, en na de heerlijke dubbelsingle Bended Light/Crossing The Blue deden we daar meteen nog een aantal centimeters bij. Maar kijk: ook daar hupt Messidor vlotjes over op de ronduit adembenemende opvolger ‘Lizières’.
Opzichtige kleren en smakeloze make-up? Een frontman die voortdurend controversiële meninkjes pleurt op sociale media? Hondstrouwe fans die een fatwa uitspreken over critici die hun idolatrie niet delen? Niets van dit alles komt u tegen in de wereld van Messidor. Hier draait het om de songs, niet om de makers. Het liefst van al zouden die zelfs helemaal verdwijnen in hun muziek, en dat is ook wat wij u warm aanbevelen: laat u meevoeren door - en ga volledig op in - deze tien prachtsongs.
Messidor is het vehikel waarmee Ward Daenen de muzikale meerwaardezoeker – en alle andere liefhebbers van mooie, warme en authentieke liedjes – nu al twee platen lang in vervoering brengt. Muziek heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in zijn leven. Zo schreef hij zijn eerste songs op zijn twaalfde, en speelde hij op zijn veertiende al in een band. Zodra gezin en werk echter op de eerste plaats kwamen, verhuisden zijn muzikale aspiraties voor langere tijd naar de koelkast, tot hij rond zijn veertigste besloot de draad - met heel veel zin en nog meer inspiratie – weer op te pikken.
Toen hij met jeugdvriend Maarten Moesen (Stef Kamil Carlens, Guido Belcanto, Buurman) begon te musiceren, tekenden de eerste contouren van wat Messidor zou worden zich stilaan af. Wanneer later ook nog Bert Hornikx mee aan boord werd gehesen, kreeg de band vaste vorm en ging het plots snel. Debuut ‘When Things Go Missing’ verscheen in 2023 en kreeg mooie kritieken. De plaat leverde Daenen ook vergelijkingen op met Nick Drake, Elliott Smith en Jeff Buckley.
Wie helemaal weg was van die eerste langspeler: hou u vast, want de opvolger is nóg beter. Werd het debuut veeleer bestempeld als een mix van melancholisch singer-songwriterwerk, indiefolk en indiepop, dan is het totaalgeluid op ‘Lizières’ veel rijker en gevarieerder, en vooral meer geschakeerd. Dat maakt het moeilijker om de band onder te brengen bij welke stijl dan ook, maar net dat is één van hun sterktes: als Messidor verder gaat op deze weg, dan zal de muziek van het drietal eerder vroeg dan laat als een genre op zich kunnen beschouwd worden.
Als er al sprake is van enige gelijkenis of verwantschap met andere artiesten, dan gaat dat niet zozeer om opvallende vorm- of stijlkenmerken, maar veel meer om het gevoel dat de tien songs oproepen. Die klinken allesbehalve retro, maar heel vaak dwaalden onze gedachten tijdens het luisteren wel af naar markante gebeurtenissen of periodes uit ons leven, en naar de muziek die we toen nodig hadden.
Zo’n plaat is ook ‘Lizières’ dus ondertussen geworden. Bij vlagen doet ze wat denken aan – of beter: geeft ze ons nagenoeg hetzelfde gevoel als – Japan en David Sylvian, Talk Talk, Villagers, de “elektronica-met-een-kloppend-hart”-kant van Radiohead en de smaakvolle artpop-meets-postpunk uit de vroege jaren tachtig. Maar luister en oordeel vooral zelf; vanuit uw muzikale geheugen en dito referentiekader komt u ongetwijfeld uit bij heel andere namen.
In de kern blijven dit natuurlijk erg mooie, ambachtelijk gecomponeerde singer-songwriterliedjes, maar die worden naar een nog hoger niveau getild door de wijze waarop ze worden vormgegeven. ‘Lizières’ is dan ook een veelzijdig album en - in de eerste plaats - een groeiplaat, die bulkt van de details die er pas uitspringen na veelvuldig luisteren. Niet omdat de songs tjokvol zitten, integendeel, maar omdat die details allemaal zodanig op de juiste plaats staan dat ze eerst niet opvallen.
Het is ook een plaat van contrasten, want in heel wat songs slaagt Messidor erin tegelijk minimalistisch en groots te klinken. Hetzelfde geldt voor de eerder zachte stem van Daenen, die ook in de meer ingetogen liedjes niets aan zeggingskracht inboet. Contrast vinden we eveneens in de rode draad die door de hele plaat loopt. Alles goed vinden en toch weg willen, de neiging hebben om het leven elders te zoeken: daar gaat het volgens Daenen over. “Die rusteloosheid houdt je in beweging, maar doet je ook naar het tegendeel verlangen.”
Rusteloosheid is ook wat de muziek van de eerste nummers van de plaat - Aya en Never Talk That Much - uitademt, terwijl de twee laatste songs – het sfeervolle Ostend Station en het sobere maar bloedmooie Oublier – eerder lijken te wijzen op (herwonnen) gemoedsrust. Maar dat die gemoedsrust niet zonder slag of stoot wordt bereikt, horen we in de andere nummers, waarvan er geen twee hetzelfde klinken.
Dat we erg te spreken waren over de singles Lizières en Travel Up North (niks minder dan een oorwurm van jewelste) kon u hier eerder al lezen, maar in de context van deze gevarieerde plaat komen ze nog beter uit de verf. Zo wordt Lizères geflankeerd door het erg mooie Humble Skipper (waarin de saxofoon van Alban Sarens meteen deed denken aan Mick Karn) en het intrigerende No Train (waarvan de tekst ontleend werd aan het gedicht ‘Travel’ van Edna St. Vincent Millay), terwijl Travel Up North staat te pronken aan de zijde van het gedreven The Game (met Lotte Vanhamel op basklarinet) en het hypnotiserende Radio Waves.
Alles klopt dus op deze plaat: de intrigerende maar tegelijk warme sfeer, de straffe songs, de suggestieve teksten, de manier waarop met vertrouwde elementen creatief wordt omgesprongen waardoor een hoogst eigen, origineel geluid wordt gecreëerd, … Dit alles maakt dat ‘Lizières’ een prachtalbum is geworden, dat hier nog lang niet aan zijn laatste rondjes op de draaitafel is begonnen.
