Rock Werchter
Geen zaterdag zo kwaad of de zon schijnt vroeg of laat
Robin Tulkens
Werchter Weide, Werchter — 29 juni 2006
Heel wat rumour bij aanvang van deze Rock Werchter. "dEus is geen volwaardige headliner", "een affiche vol middenmatigheden", "al die commerciële hypes",... je kon het zo gek niet bedenken of één ieder "zichzelf respecterend" muziekliefhebber wist wel een vleugje negativisme uit z'n mouw te schudden. We lieten ons niet kennen en gingen er volledig voor. Werchter, vanbinnen en vanbuiten.

Hoe kan je vier dagen vol feestelijkheden beter openen dan met een waar orkest in de gedaante van Kaizers Orchestra? Deze waanzinnige Noren zijn echter allesbehalve doorsnee te noemen. Ze slaagden erin de flair van The Hives te combineren met de speelsheid van The Flaming Lips, doorspekt met een stevige Noorse tongval. Frontman Janove Ottesen had het publiek vrijwel meteen op zijn hand, terwijl zijn kompanen als gekken beukten op olievaten, op de achtergrond een organist met een gasmasker sier maakte en Elvis gereïncarneerd bleek als roadie. Na een uur had het vijftal genoeg aan smaakmaker Maestro om het Belgische publiek óók tot zijn fans te bekeren.
**Na de overstap naar een major**, volgt uiteraard de logische volgende stap: de grote festivalpodia. Dit voorjaar bewezen de troepen van Ben Gibbard dat ze in de zaal quasi onklopbaar zijn, maar met het Werchter-publiek hadden ze duidelijk meer moeite. Nochtans verschilde de opbouw niet veel van dat in de AB, met New Year als stampende opener, net zoals een vlot meegebruld Soul Meets Body dat reeds vroeg in de set het ijs diende te breken. Toch slaagde Death Cab For Cutie maar half in zijn opdracht. Was het de warmte, of eerder de snoeiharde – letterlijk en figuurlijk – concurrentie van Tool op de Main Stage? Gibbard sneerde dan wel zeer stoer naar Maynard James Keenan, maar zowel Crooked Teeth als de uitgesponnen versie van We Look Like Giants overtuigden ons niet. Net zoals de gehele set, helaas.
Manu Chao staat bekend om – “rrrrraaa” – uptempo reggae-melodieën en energieke ska. Zonsondergang, vakantiestemming, bier en zuiderse geluiden. Enfin, zuiders, we krijgen een hele wereldreis voorgeschoteld waarin de Jamaicaanse passage met Bobby Marley ons al direct een vleugje van de ironische Manu Chao liet genieten (Damian Marley speelde op hetzelfde moment in de Marquee, red). De remmen gingen helemaal los bij het knotsgekke Radio Bemba, zomerhit Me Gustas Tu en – met een goedkeurende zon in ondergang – Dia Luna. Net toen Volver en – nog eens – Radio Bemba ons in snel tempo naar een zinderend einde wouden loodsen, maakte de Peppers-crew een abrupt einde aan het surfend wiegen. Geen Mano Negra-dessert voor het publiek en een middelvinger naar de camera, terecht.
Werchter had dit jaar wel meer groepen in hun rangen staan waar je ofwel 100% voor ofwel 100% tegen bent. Met de Red Hot Chili Peppers heb je meteen een perfect voorbeeld. Kiedis laat altijd een steken vallen, maar de hits, die staan er. En de massa draait er nog steeds dol op. Hitparadepaardjes Can’t Stop, Dani California, Scar Tissue, Fortune Faded en Parallel Universe werden enkel onderbroken voor Charlie en het verwaterde Warlocks. 'Stadium Arcadium' liet het ons al vermoeden, de Peppers zijn volwassener geworden. Strak in het pak, en zoals het echte volwassen musici beaamd, gaan ze ook een covertje niet uit de weg. Hoorden we bij het aanzetten van Wet Sand nog even een The Clash-rifje, dan veroverde Frusciante harten met How deep’s your love (van The Beegees, red). Maar ook voor hen was de tijd keihard, de waslijst met bisnummers verging als sneeuw voor de zon en dus moesten we tevreden zijn met Californication en – na rijp beraad tussen Kiedis, Frusciante en Flea – een zinderend en eindeloos By The Way.
Voor een afsluitende dj-set moest je deze keer in de Marquee zijn, waar Roger Sanchez het beste van zichzelf gaf. Op de Main Stage zorgden Black Eyed Peas voor een heus hiphop- en R&B-spektakel. Alle radiohitjes werden luidop meegezongen door de overgebleven menigte, met als hoogtepunt het massaspel tijdens het Where is the love. Fergie zal nooit zingen als een engel – My humps is niet zo toevallig - maar om een publiek op te hitsen (even veralgemenen, mannen), te freestylen en voor een goede portie prachttheater ben je bij haar aan het goede adres.
[pagebreak]
Skin, glinsterende smile, witte benen, nonchalant dasje en kattig. Het was vroeg voor sommigen maar Skin liet dat allesbehalve aan haar hart komen. Van bij het begin boomde ze flink door met haar strakke rocksongs en een schreeuwende stem. Skin is opgewekt, huppelend schreeuwt ze Werchter goedemorgen met She’s On, Alone In My Room, Don’t Reed A Reason, Just Let the Sun en Take Me On. Met een Headonism kregen we het gebruikelijke Skunk Anansie-moment en bij Purple lastte ze even een rustpauze in. Stevig, zeer stevig, ideale opener.
Belgen op Werchter kunnen toch telkens net dat beetje meer dan op eender welk ander podium in dit land. Ook de Antwerpenaren van A Brand bewezen dit eens te meer. Ze hadden dan wel de ondankbare taak om de Marquee te openen op deze veel te hete vrijdag, maar wij ontwaken maar al te graag met knallers als ’Till Death of Riding Your Ghost. Zoals steeds strak in het gelid raast het vijftal langsheen deze heerlijke glamrocksongs, terwijl ze ondertussen het van The Chemical Brothers geleende Block Rockin’ Beats (nog
steeds een van onze favoriete dansschijven) in een uitermate funky rockversie gieten. Hammerhead kroonde zich als afsluiter echter tot absoluut hoogtepunt, terwijl onze Werchter al op zijn minst deels goed gemaakt is.
“Elk jaar ontdek je op Werchter wel één bandje waar je van denkt: die gaan het maken; The Kooks is zo’n bandje”. We kunnen Luc De Vos absoluut niet tegenspreken. Al van toen ze eerder dit jaar de Botanique bekogelden met hun speelse rocksound en prachtig Schots accent, keken we uit naar hun Werchter-moment. Nog rustig tokkelend tijdens Seaside kwamen we na een wereldreis door allerlei genres terecht bij het rijtje kaskrakers dat 'Inside in Inside out' rijk is. If Only, Naive, Sofa Song (schitterend) en You don’t love me deden de Marquee sidderen. Wervelwind. We want them back.
Ergens tussen Coldplay, Doves en Supertramp bevinden zich de heren van Elbow, goed verscholen achter pareltjes van platen, waaronder ook hun laatste, ‘Leaders of the Free World’. Elbow plukte echter niet alleen uit dit derde album, waardoor songs als Red en Fugitive Motel zij aan zij liggen met het recentere Leaders of the Free World. Toch is het vooral die laatste die ons van onze sokken blaast. De ingetogenheid van op de albums verdwijnt, en maakt plaats voor een ruigere, doch even subtiele versies van de nummers. Wanneer Newborn wordt opgedragen aan de twee pasgeborenen van enkele bandleden, blijken de heren van Elbow toch nog altijd dat peperkoeken hartje te bezitten waarvan wij op plaat zo houden.
Ooit was postrock nog een genre dat met het afgrijselijk lege begrip ‘indie’ werd bestempeld, maar de steile opmars die het genre de laatste jaren heeft gemaakt, is niemand ontgaan. En dus ook de Schuer niet, die de Schotse noise-peetvaders van Mogwai een plaatsje in zijn Marquee gunde. Niet geheel de juiste plek, zo geprangd tussen de fluisterende melancholie van Elbow en de stampende elektro van Radio Soulwax, maar daar trokken de heren zich geen zier van aan, net zo min als van de horden nieuwsgierigen die het na Friend of the Night en Travel is Dangerous reeds aftrapten. Jammer voor hen, want zij misten een schitterende bezielde versie van Mogwai Fear Satan, dat samen met een beukend Glasgow Mega-Snake en een razend We’re No Here wellicht tot de meest verschroeiende klanken van het gehele weekend behoren.
[pagebreak]
De immer populaire broertjes Dewaele waren op deze editie van Rock Werchter gastheer van een heuse eigen avond in de Piramid Marquee. Daarvoor brachten zij enkele van hun vrienden mee. Hun succes, en dat van de formule/andere artiesten werd nog maar eens bevestigd door de gigantische opkomst - zelden werd de pyramid opgeslokt door zo'n massa. Ruim op voorhand vulde de Marquee en de omliggende dansweide zich met liefhebbers die geen moment van dit festijn wilden missen, dit is Radio Soulwax ten top.
Vitalic mocht de toon zetten met een live performance, geslaagd met grootste onderscheiding. De crispy vibes van deze Oekraïner (die ondertussen al geruime tijd zijn residentie in Duitsland heeft) smaakten het publiek uitstekend. Een aerodynamische aaneenschakeling van zijn eigen producties met behulp van zijn sequencer voerden de duizenden zwetende lichamen van de ene climax naar de andere. De wereldberoemde hit La Rock 01 zorgde zoals verwacht voor een ontploffing waar menig decibelmeter het op de heupen zou van krijgen. Een originele afsluiter was zijn eigen interpretatie van The Sound Of C.
Door de verschuivingen in het programma werd And Did We Mention Our Disco tussen Vitalic en Nite Versions geplaatst om het publiek warm te houden. En dat is ook ongeveer het enige wat hij gedaan heeft. Enkele bekende tunes, maar overall was er weinig actie en enthousiasme te bespeuren. Een beetje nerveus, misschien?
Na Vitalic was het de beurt aan Nite Versions, de digitaal geremixte versie van het Soulwax-album 'Any Minute Now'. Een knap staaltje originaliteit en harmonie tussen analoge en digitale instrumenten, vocoders en een dodelijke dosis loeiharde drums. Een genre valt er moeilijk op te kleven, het beweegt zich razendsnel tussen vele stromingen, maar het is op zijn minst aanstekelijk. It was good enough for what we payed!
In een recordsnelheid van zo'n 20 minuten werd Tiga van Zaventem naar Werchter gebracht waar de massa schuimbekkend smeekte naar meer. De frustraties (slash vermoeidheid) speelden hem wellicht parten; de set was pretty basic en weinig origineel, wat niet wou zeggen dat zijn batterij aan hitjes het volk niet kon bekoren. Zijn uithangbord You Gonna Want Me ontbrak vanzelfsprekend niet in deze set.
Tot slot mochten de, onze, wereldberoemde 2 Many DJ's de kers op de taart zetten. Een welgemikte mix van alles wat dansbaar, cult, hip en fonky is zette de tweede helft van de Werchterweide in lichterlaaie. Genoeg zweet om twee zwembaden te vullen, tienduizenden danslustigen, liters vloeibaar goud en her en der de verdachte geur van sigaretten na houdbaarheidsdatum, een prachtig schouwspel gezien vanop het buitenpodium.
Al zijn ze allen betrekkelijk snel in het ontdekken en spelen van nieuw materiaal dat een paar maand later overal te horen valt, het volgende nummer is bijna voorspelbaar voor de kenner. Iets meer originaliteit hadden we van Radio Soulwax toch wel verwacht.[pagebreak]
Alsof de tropische temperaturen nog niet genoeg waren, ging Arsenal nog eens stomen als vanouds. Ook bij deze derde passage in evenveel jaar kunnen we enkel de superlatieven bovenhalen. De kleppers
Longee en Mr. Doorman doen het nog steeds, en de verrukkelijke verschijning van Leonie Geysels die over het podium dartelde, maakte het plaatje compleet. Toch is het vooral het prachtige Either dat ons overtuigde. Kippenvel bij temperaturen van 30 graden Celcius, het kan!
Volledig in cowboystyle uitgedost, sigaret bij de hand, magnifieke band, Donavon Frankenreiter kruipt in een ware zomerse hippie gedaante van Jack Johnson, alles met een zekere blues attitude. Frankenreiter neemt ons 30 jaar terug mee in de tijd, in zeer relaxte set. Een tot rust gekomen Marquee zingt luidkeels mee met On My Mind, Call Me Papa, It Don’t Matter (integrerend orgel!) en – titelsong van Donavon’s laatste langspeler – Move By Yourself. Donavon brengt alles behalve een opzwepende countryset, eerder een vredevol onderonsje met wat ontspannen heupgewieg bij Watcha Know ABout en sociaal wezend met het publiek. Al die nonchalance maakte samen met een uitstekende sound op ons een redelijk indrukwekkende indruk.
Nadat ze zowat elk podium in België minstens één keer van dichtbij gezien hebben, kon het niet anders of de Gentenaren van Absynthe Minded zouden stormenderhand Werchter inpalmen. Toch hadden ze met die veroveringstocht aanvankelijk wat moeite, want nummers als Fortune of New Day bleken niet meteen de grote kleppers waar het publiek op wachtte. Mensen met teenslippers hadden echter daarna al gauw spijt van hun schoeiselkeuze, want met Acquired Taste ging het dak van de Marquee. Het feest schoot in gang, en in een razend tempo passeerden To the Boredom Dying Slowly en nieuwe song Stuck in Reverse. Toch was het vooral Afrekening-hit My Heroics, Pt. One dat vanaf het eerste akkoord toegejuicht werd, om daarna woord per woord te worden meegelipt.
Grote verwachtingen voor The Raconteurs. Wat wil je, met gitaarvirtuoos en beunhaas Jack White in de rangen. Maar laat ons Brendan Benson ook niet vergeten. Het klonk zeer groots op cd, maar live klonk het nog iéts te verschillig. Veel succes wanneer Jack aan de vocals kwam, twijfel toen Brendan het heft in eigen handen nam. Steady as she goes blijft een fantastische zomerhit om je buren mee op stang te jagen, en Store Bought Bones en Broken Boy Soldier zitten in exact het zelfde schuitje. Edoch twijfelen we of we dit wel een goed optreden vonden. Blue Veins is een aardig schouwspel waar u ons niet hoort mopperen, en ze kunnen ons helemaal krijgen als ze Bang Bang van Nancy Sinatra en It Ain’t Easy van ome Ron Davies uit hun doos trekken. Veel vernieuwend kregen we niet, en één coherent geheel nog veel minder. Twijfel alom dus. Hopelijk doet een tijdje met elkaar touren veel goeds en blazen ze ons – wat ze op schijf wel voor elkaar kregen – ooit wél eens van ons sokken.
“Waar blijft die tijger”. Een hitsige marquee snakt na een snikhete dag naar een kolkend electrofestijn. En laat dat nu net hét recept zijn dat Goldfrapp in petto had. Alhoewel, Goldfrapp begon met Utopia, één van die romantische telgen uit 'Felt Mountain' (pas in 'Black Cherry' (2003) werd voluit de kaart van de electropop getrokken, red). Op het einde mondde het – zoals verwacht – uit in een walhalla van eighties-synths. We waren nog geen kwartier ver of met Train en Koko werden onze poriën al direct op proef gesteld, niet alleen omwille van die vier danseresjes die af en toe kwamen opdraven, maar vooral door de lichterotische disco, met de klauwende Alison in een glansrol. In het slot moesten met achtereenvolgens Ride A White horse, Ooh la
Neen, we zijn niet helemaal te vinden voor 'Meds', Placebo’s vijfde langspeler. Gelukkig heeft de band nog zijn stevige live-reputatie, dachten we zo. Dáchten we, inderdaad. Want wanneer Molko opent met het duo Infra-Red – Meds, niet toevallig de twee beste songs vanop ‘Meds’, vreesden we het ergste. Die vrees werd al snel werkelijkheid, want een tam Placebo raasde doorheen het merendeel van de laatste plaat, en enkel een snoeihard Bitter End en klassieker Every You Every Me redden de eer nog een beetje. Het kan aan de warmte gelegen hebben, maar noch band, noch publiek leek veel zin te hebben om enigszins actief te zijn. Al na drie kwartier trok het trio een eerste keer richting kleedkamers, maar ook na die korte break stonden ze op slappe benen, en na een zielig Twenty Years droop Placebo af met de staart tussen de benen.
Gelijkertijd geprogrammeerd met dEUS zorgden de IJslanders van Sigur Rós voor een verscheurende keuze, maar uiteindelijk bleek een bomvolle Marquee getuige van een werkelijk prachtig concert. Vanachter een groot wit gordijn wordt er geopend met een stuiterend Glósóli, dat op massaal herkenningsapplaus getrakteerd wordt. In het komende uur zinderen de meest wonderlijke, ijle klanken doorheen de tent, waarbij het IJslandse viertal geruggensteund wordt door een strijkerskwartet en een blazerssectie. Dat diezelfde blazers net zoals op plaat doorheen Sé Lést mogen wandelen, hoeft geen verbazing op te wekken. Het magistrale rijtje Ny Batterí, Saeglópur en Hoppípolla, drie songs die qua geluid zover van elkaar liggen en toch zo mooi naast elkaar leunen in de set, doet dat wel. Met een nog meer dan anders bombastisch klinkend Popplagid bekroonde Sigur Rós een optreden van onaards niveau.
Goesting, je kon het op hun gezicht lezen. Barman als magnifiek dirigent tussen een wereldformat. Een wereldformat dat de beste muzikanten van ons dierbaar stukje grond bundelt tot dEUS, dat elke mond van enig kritiekspuiend festivalganger ("dEUS als headliner, laat ons niet lachen") de mond snoert van bij het sublieme Theme From Thurnpike. Prachtig hoe Mauro opgaat in de georganiseerde chaos die Instant Street afsloot. Diezelfde Mauro, onweerstaanbaar in zijn rol als backing vocal trouwens, houdt Fell Off The Floor, Man stevig in de tang. En na de stadionstrofen Via en een aarzelend op gang geschoten Suds & Soda haalden we de aanstekers boven voor Nothing Really Ends en The Real Sugar. En mocht je nog twijfelen over Barmans zangkwaliteiten, dan kreeg je met Pocket Revolution en Roses als bisnummers een stevige uppercut. We zouden haast sentimenteel worden, maar dit was ongetwijfeld haute cuisine.
[pagebreak]
Frontman E had blijkbaar genoeg van al die strings, en trok op het podium van Werchter nog eens als vanouds van leer met een échte rockgroep. Geen bas te bespeuren, maar toch trachtte eels alle songs in een bluesrockjasje te gieten. Dat werkt zonder problemen met vlot meebrulbare nummers als het onverslijtbare I Like Birds, maar de meer intieme songs waar eels een patent op heeft, geeft het helaas geen meerwaarde. Platte versies dus van My Beloved Monster of A Magic World, en wanneer daarbij nog eens een veel te rauwe cover van Screamin’ Jay Hawkins’ I Put A Spell On You bijkomt, heeft eels - nochtans één van onze helden in betere muzikale tijden - het volledig verkorven. Toch maar beter dat strijkersorkest gehouden, lijkt ons zo.
Hardrock, hallelujah. Tijd voor Robert Plant en The Strange Sensation. Plant tekende meteen voor één van de korte setlists van het weekend. Slechts zeven nummers, enkel afgewisseld met het uiten van z'n ongenoegen tegenover Bush en het drinken van zijn kopje thee. Geen folknummers deze keer, maar gespleten riffs zoals in Freedom Fries. Whole Lotta Love was de apotheose van een uurtje pure nostalgie.
De tijd voor de rode jurken is voorbij. Geike imponeerde van bij het begin, was het niet met haar impressionant kapsel (Leela James achterna), dan was het zonder twijfel met haar glansrol in You love me to death. Meteen één van de hoogtepunten van een set waarin Hooverphonic ons trakteert op een verzameling van de mooiste momenten uit de laatste zes albums, telkens met Belgische verbluffendste zangeres in de schijnwerpers. Zo ook in Eden, een blijver, en het door de strakke baslijn perfect gecontroleerde World Is Mine. Al stak de verveling even op bij Mad About You, met Sometimes en een weergaloos You Hurt Me deed Hooverphonic ons hun kleine misstap snel vergeten. Tot slot liet Geike Callier en Raymond nog even hun krapuleuze zelf wezen in Magenta.
De deuren werden voor een jaar gesloten (of toch zeker tot TW Classic) en sleutel van dienst was Depeche Mode. De men in black stuurden direct hun beste intro ooit door de boxen met A pain that I’m used to. Leuk begin maar voldoende om het publiek vast te houden? Helaas niet. Nieuwe parels zoals John the Revelator en Precious werden afgewisseld met gouwe ouwen zoals Personal Jesus en uiteraard het voor de massa overbekende Enjoy the silence. Door opnames voor een limited edition live cd vielen er degoutante stiltes tussen de nummers en helaas kon zelfs Dave’s blote bovenlijf daar niks aan veranderen. Echt vuurwerk kregen we dus pas te zien na het optreden.
