mary in the junkyard - Role Model Hermit
AMF Records
Marc Alenus — 29 juli 2026

We zijn tot een inzicht gekomen: we houden van genres die onduidelijk zijn. Dat was al zo in de jaren tachtig met new wave en nu nog steeds met alles waar “art” voor staat: artpop, artfolk ,… noem maar op. Wie of wat er allemaal onderdak vindt onder deze paraplu’s, is onduidelijk en dat blijkt nu net interessant te zijn.
Wie zeker onder onze paraplu mag komen schuilen, is mary in the junkyard. De recente debuutplaat ‘Role Model Hermit’ bevat al die ingrediënten die wij zo graag lusten: een beetje naïef klinkende zang, de combinatie van elektronica en folkinstrumenten en poëtische teksten. Daarmee stappen ze in de voetsporen van Black Country, New Road, Geese, Chanel Beads en zelfs Big Thief, maar toch ook weer niet. Ze kiezen een eigen, onbetreden pad uit en dat resulteert in een spannende ontdekkingstocht.
Gids van Dienst is Clari Freeman-Taylor die zingt en gitaar speelt. Naast haar loopt bassiste-celliste Saya Barbaglia en drummer David Addison overziet de boel en houdt alles recht waar het uit de bocht dreigt te gaan. Daarbij maakt hij ook gretig gebruik van andere percussie. Luister maar eens naar New Muscles, zonder twijfel de track met de meeste groove.
De band weet ook te betoveren zonder bas- of drumlijn. Dat bewijst het trio meteen bij opener Mantra III, een nummer zonder echte melodie, maar wel eentje dat intrigeert met krassende celloklanken, los uit de hand bespeelde percussie, hier en daar een pluk aan een gitaar, maar vooral die gefluisterde stem van Freeman-Taylor.
Dat zo’n song dan quasi naadloos overgaat in Blood, waarin de glinsterende gitaarlijn opvalt met een weerkerend themaatje, voelt aan als een wonder. De song is een uitnodiging tot een relatie met iemand en één van de mooiste liefdesliedjes die we dit jaar hoorden. “There is nothing to see here but sweetness”, klinkt het, maar dan wel met een hoekje af, zoals altijd.
<style>.embed-container { position: relative; padding-bottom: 56.25%; height: 0; overflow: hidden; max-width: 100%; } .embed-container iframe, .embed-container object, .embed-container embed { position: absolute; top: 0; left: 0; width: 100%; height: 100%; }</style><div class='embed-container'><iframe src='https://www.youtube.com/embed/hOKLWpMOaU4' frameborder='0' allowfullscreen></iframe></div>
Tekstueel verkent de band thema’s als prille liefde, (onvervuld) verlangen, tienerangst, innerlijke strijd, opgroeien en loslaten. Ze gebruikt daarbij originele metaforen. Zo is zelftwijfel een grote hond in Peter The Dog, de angst tot introspectie wordt gegoten in de vraag “Do I have a can of worms inside?” in Seek & Destroy en iemand die niet veel prijsgeeft over zijn emoties “opens like a coconut” in Crash Landing. Wie al eens getracht heeft zo’n rotding open te maken, snapt het meteen.
Met Thou Shalt Sprout en Mouse houdt de band het torenhoge niveau in stand tot aan het gaatje. De eerste is een soort van ouderwetse murderballad die een tikkeltje middeleeuws aandoet of minstens geknipt lijkt voor een fantasyverhaal. De tweede gaat verder in ongeveer dezelfde trend. Daarin treffen we Morgan-Freeman aan die fantaseert dat ze een visser was in een vorig leven en een spirituele ontmoeting heeft met zijn vorig huisdier, een muis die hier terugkeert in menselijke gedaante (zie het artwork). Of hoe liefde zowel tijd als andere obstakels overleeft.
Je merkt het: aan fantasie geen gebrek. Dit is dan ook een plaat die het kind in jezelf terug naar boven haalt en doet dromen. Wij dromen vooral van meer. Misschien krijgen we het op 6 oktober in de Botanique.
