Vestrock 2017 WHITE kleurt Vestrock

Hulst (Vestrock), Invalid date
Vestrock 2017

Kregen we op dag één van Vestrock een stevige portie rock, dan was het menu op dag twee heel wat gevarieerder. De hoofdschotel werd dan wel geleverd door de Schotse rockers van Biffy Clyro, daarvoor proefden we heel wat andere muzikale smaakjes.

Het Vestrockpubliek was wat tam gisteren, maar ze weten daar wel schoonheid te waarderen en zo zat er al heel wat volk in de Basiliek op het middaguur voor de Gentse band Low Land Home.
Hoe frontman Jo Geboers daar mee omging? Die sloeg gemeend of als grapje een kruis en bracht zijn gevoelige songs over verlatenheid en vervreemding voor een aandachtig en dankbaar publiek. Hosties wilde Geboers gratis uitdelen en ook de ep kostte maar vijf euro. Daarop parels als Underspoken, nieuwe single I Know en het trieste Chemistry die live nog meer raakten dan op plaat.

Nog meer pracht was er met Out of My Mind en afsluiter All This Time, beide met Muriel Boulanger op contrabas en de engelachtige stem van Jolien Bové in mooie harmonie met de warme bariton van Geboers. Nu I Will, I Swear ten grave is gedragen, neemt Low Land Home het vaandel over van beste melancholische band van Gent. En doe daar maar de rest van Vlaanderen bij.

Door de wandeling van de binnenstad naar het festivalterrein misten we Warhola, maar we waren wel tijdig in de tent voor het Deens-Australische duo Palace Winter dat live wordt versterkt door een drummer en een extra gitarist. De lang uitgesponnen gitaar- en ijle synthpartijen doen wat denken aan The War On Drugs, maar de band durfde, wat ons betreft, niet ver genoeg gaan in haar atmosferische escapisme. Wel zat er een heerlijke, natuurlijke flow in de setlist met opwindende, uptempo nummers als H.W. Running, maar ook af en toe een rustpunt zoals New Ghost waarvoor de sympathieke, Australische frontman Carl Coleman de akoestische gitaar omgordde.

Caspar Hesselager, toetsenist en één van de drijvende krachten van de band, keek de hele tijd Scandinavisch donker en ging niet mee in het enthousiasme van zijn kompaan. De klanken, die hij produceerde, klonken als een koude bries onder de overheersend warme, melancholische sound. En dit contrast is net het geheim van deze band. Palace Winter laat twee werelden botsen en creëert daaruit iets moois. Het eindakkoord met Hearts To Kill en vooral de outro van Positroni, waarin de band net iets verder durfde gaan, was fantastisch. Toch maar in het oog houden, deze jongens!

Eefje De Visser startte met Nu Af Aan en nam ons algauw Mee in een set die bewees dat Nederlandstalig en modern wel degelijk moeiteloos kunnen samengaan dankzij poëtische teksten die op een moderne, elektronische sound drijven. De Visser won acht jaar geleden de Grote Prijs van Nederland en sindsdien is ze enkel maar beter geworden.

Ze putte vooral uit ‘Nachtlicht’, maar moffelde slim ook wat ouder werk in de set. Na Wacht volgden zo dansbare nummers als Afdwaalt, Stof en Genoeg waarop ook De Visser zelf de heupen niet in bedwang kon houden. En niet alleen wij raakten geboeid, ook de zangeres raakte klem, al was dat niet de bedoeling. Haar armband haakte in een snaar van haar gitaar en ze moest bassist Merijn van de Wijdeven inschakelen om haar te bevrijden.

Met Hartslag trok de ondertussen geroutineerde band de show terug op gang en met een intensief Jong bewees De Visser waarom zij zo op handen wordt gedragen. Met Scheef nam de Nederlandse afscheid. Ze zal een jaar niet optreden in voorbereiding van een nieuwe plaat en werd bij die aankondiging zelf even emotioneel. Maar wij kijken al uit naar het moment waarop ze weer boven water zal komen.

Dat ook Vlaanderen beloftevolle, vrouwelijke talenten heeft, mocht even later Coely bewijzen in dezelfde tent, nadat op het hoofdpodium Kraantje Pappie heel de wei gek had gekregen. Qua genre liggen beide niet heel ver uit elkaar, maar de jonge Vlaamse heeft een pak meer klasse en stijl en werd dan ook aangekondigd als de Vlaamse Beyoncé.

Grappig genoeg kwam niet zij, maar wel Yann Gaudeuille als eerste op en die heeft vooralsnog niet de billen van Queen B. Een geweldige stem heeft de jonge zanger wel en zijn bijdragen op onder meer Different Waters en The Rise waren zeker een meerwaarde. Dat waren de raps van Dvtch Norris zeker ook, al bleef de ster van de show de jonge Coely Mbueno zelf. Het gemak, waarmee zij zong op My Tomorrow en Celebrate, en de originele mix van verschillende urban genres leverden haar zeker een pak nieuwe zieltjes op.

Raglans stond al eerder op Vestrock en de vier leden waren tegen de eigen verwachting in niet te groggy van al het gratis bier dat de organisatie voorzag. Er ging zelfs niets boven het uitzweten van een kater met tweehonderd man publiek als getuige aldus zanger Steven Kelly. Toch bleef de mandoline, het usp van deze Ierse rockers, de eerste nummers achterwege. Iets te snerpend geluid misschien?

Na drie nummers was de hoofdpijn weg en voor Down werd de mandoline toch bovengehaald. Meteen steeg de opwinding en die bleef crescendo gaan met het prima True North. Een ingetogen startend I Became A Ruin deed daarna toch gevoelen dat de band door een donkere periode ging na het eerste album. Kelly hintte naar bedrog van de platenmaatschappij en bracht het vol laconiek klinkende lalala’s War Tom midden in het publiek. “You know we got to get out / I’ve been singing too much sad songs lately”, zong hij triest, maar daarna schudde hij ook die kater van zich af en eindigde de set met dolle taferelen op en voor het podium.

Vooral tijdens afsluiter Digging Holes werd het nog een dolle boel. Drummer Conn O'Ruanaidh kreeg een halve Jupiler naar binnen gegoten door Kelly vanop een halve meter hoogte en de gitarist en de bassist gingen mee percussie spelen, de ene op opwindende koebellen, de tweede op een extra floortom. Het blijft een leuke bende, deze Raglans.

The Sherlocks zijn een jonge band uit het Engelse Sheffield. De leden lijken alle vier nog te jong om bier te drinken en op hun wangen prijkt dan ook een gezonde blos in plaats van een grauwe stoppelbaard. Debuutplaat ‘Live For The Moment’ komt uit op 18 augustus en staat, afgaande op de set, uit stevige alternatieve, maar melodieuze rock. We misten het grootste deel van de show door een culinaire stop, maar hoogtepunt Chasing Shadows werd tot het eind opgespaard en wat we daarvoor zagen, werd na een korte rondvraag bevestigd: veelbelovend, maar nog wat onwennig op een podium.

Dat kon niet gezegd worden van wat de sensatie van het weekend werd. Het Schotse WHITE heeft dan wel een bleke bandnaam, maar maakte vanaf opener Be The Unknown meteen duidelijk dat zij van een ander niveau waren dan al wat we daarvoor zagen en hoorden. De bizarre mix van disco, funk en rock werd gebracht met een punkattitude waaraan menig garagebandje een punt kan zuigen. De band stond dan wel in de kleine Kapel, maar zanger Leo Condie leek zich wel Matthew Bellamy te voelen voor een groot stadion.

Dat WHITE niet voor niets met drukletters wordt geschreven, bleek uit alles: de blik in de ogen van de muzikanten, het harde meppen van de drumster, het zweet dat uit de haren droop en de niets ontziende golf songs uit het al even passioneel klinkende album ‘One Night Stand Forever’.

De fans van dit collectief en, bij uitbreiding, zowat iedereen aanwezig, was al even gek. Enkele jongelingen zorgden voor confettikanonnen en de houten vloer van de kapel golfde onder de springende meute waardoor de aanwezige fotografen alle moeite hadden om beelden te schieten. De security moest zelfs een paar kleerkasten sturen om te verhinderen dat de toren boxen omtuimelde. Oudje I Liked You Better When You Needed Me was dan ook een zeldzaam, maar welkom rustpunt.

Met Step Up waren we opnieuw vertrokken voor een “jumping song”, in Private Lives sloop een riff van Bowie's Fashion en bij Hit Hit Hit en Future Pleasures stuiterden band en publiek een laatste keer vrolijk in het rond. Dit was het meest zweterige feestje van twee dagen Vestrock; eentje waarna al wat nog kwam, eigenlijk overbodig was.

Rival Sons lieten we dus maar passeren en ook voor King Kong Company konden we ons nog niet opladen. Alleen voor headliner Biffy Clyro rukten we ons nog eens los uit de gezellige backstage. Een aanzwellend, klassiek vrouwenkoor begeleidde de Schotten bij het bestijgen van het podium, die sterk en theatraal begonnen met Wolves Of Winter uit laatste album ‘Ellepsis’ en het tien jaar oude Living Is A Problem Because Everybody Dies.

Daarna bleven we toch wat op onze honger zitten en ook zanger Simon Neil voelde zijn beer grommen: “Me and James are wearing ketchup trousers and Ben is wearing mustard trousers, yet there’s no fucking hot dog available. Does anyone have a hot dog?” grapte hij, alluderend op de rode broeken die hij en de bassist droegen en de gele van drummer Johnston.

Even later kwamen we erachter dat de band zowat dezelfde setlist speelde als in de Mercy Lounge in Nashville een paar weken terug. Geen probleem natuurlijk; daar was niemand van ons bij. Wel een probleem vormden de vele stemmingswisselingen. Biffy Clyro toonde evenveel gezichten als tattoos op het ontblote lijf van zanger Simon Neil; gaande van beenharde hardcore tot melige knuffelrock. Zo werd het aalgladde Re-Arrange afgewisseld met de kniestoot-in-de-kloten die That Golden Rule is. Twee nummers later bleef Neil dan weer solo achter om op akoestische gitaar Medicine in te zetten.

Met Animal Style, afsluiter Many Of Horror en bis Stingin’ Belle zette Biffy Fucking Clyro toch een mooi orgelpunt achter zijn set. En dan was het tijd voor een bescheiden vuurwerk en die laatste hotdog. Tot volgend jaar, Vestrock, je blijft een oord van ontdekking en genot.


4 juni 2017
Marc Alenus