Bed Rugs Wij zijn elkaars grootste fans

Wij zijn elkaars grootste fans

De nieuwe plaat van Bed Rugs was in een rechtvaardige wereld al veel eerder uit, maar de computer van de Duitse firma die de plaat zou persen, zei: "Nein". Staf Verbeeck van Stiff Studio en zijn voorganger keken de masters na, maar zij vonden niets abnormaals. Een Franse firma werd bereid gevonden om over te nemen, maar gaf uiteindelijk voorrang aan andere zaken in het kader van Record Store Day en dus moest de band op zoek naar een derde kandidaat. Wat zich eerst leek aan te dienen als de meest relaxte release ooit, werd dus uiteindelijk de meest stressvolle. Maar de jongens lieten het niet aan het hart komen, gooiden het album op YouTube en dronken samen met ons een lekkere huisgemaakte ijsthee in Me And My Monkey, ondertussen honderduit vertellend over 'Hard Fun, Grand Design'.

Toen we de vorige keer hier zaten, waren jullie nog met vijf. Wat is er gebeurd?
Yannick Aerts (gitaar, zang): Goh, eigenlijk zijn Stijn (Boels - gitaar, zang, nvdr), Noah en ik altijd wel de kern geweest, de songschrijvers.
Noah Melis (drums, zang): Bij de eerste plaat waren we nog met vier en voor een deel van ‘Rapids’ ook nog, maar als er een paar mensen wegblijven van repetities en zo, ga je met drie verder, he. En in het begin kon ik alleen maar drummen, maar gaandeweg, door ook aan mijn eigen projecten te werken, begon ik ook nummers aan te brengen en ik kon ik meepraten met de anderen.
Aerts: We zijn eigenlijk heel organisch geëvolueerd tot deze bezetting. Meer is niet nodig.

Laat ons beginnen met een evidente vraag: waarom een dubbelalbum?
Aerts: We wilden heel graag samenwerken met Derek Almstead. We hadden al lang vooraf afgesproken wanneer we dat zouden doen en we hadden, met die afspraak in het vooruitzicht, heel veel tijd om aan nummers te werken. Ik had bovendien drie maanden ouderschapsverlof, dus…
Melis: De eerste plaat verscheen in januari, de tweede ook en toen wilden we dat elke keer op datzelfde moment doen. Maar dat had soms tot gevolg dat we in de studio zaten voor opnames, terwijl de helft van de songs nog niet klaar waren. Dat was dit keer helemaal anders.
Aerts: We waren ondertussen ook met andere dingen bezig (Borokov Borokov, Shy Dog n.v.d.r.), maar ondertussen ontstonden de nummers op een natuurlijke manier.
Melis: Eigenlijk zit er maar drie jaar tussen ‘Cycle’, de vorige plaat en deze. Voor andere groepen is dat normaal, maar voor ons lijkt dat een eeuwigheid.
Aerts: En een dubbelalbum is dan wel niet meteen de meest commerciële zet, maar het is wel terug in. In de hiphop zie je dat heel frequent de laatste tijd.
Melis: Niet dat wij zo super commercieel ingesteld zijn... Ik denk zelfs dat we dit keer gewoon gezegd hebben: “Fuck singles!”

Er staan nochtans kandidaten genoeg op de plaat, zoals de opener Each Side, Risky Trade en Exotica. Zijn singles niet nodig om aandacht te krijgen?
Aerts: Wat is een single eigenlijk. Je kiest een nummer en noemt dat de single.
Melis: We moeten het sowieso niet hebben van airplay en er zijn tegenwoordig voldoende andere kanalen om je muziek te verspreiden.
Aerts: We leven in een wereld waarin streaming veel belangrijker is geworden. Dus in dat opzicht is het belangrijk om zoveel mogelijk nummers uit te brengen. Dat verhoogt de kans dat je op één of andere playlist opgenomen wordt.
Melis: Niet dat wij daar zo strategisch over nadenken, hoor.
Aerts: De vraag was vooral: “Waarom geen dubbelalbum maken als het kan?”
Melis: We hadden gewoon veel nummers. Ieder van ons schreef er wat op zichzelf – dat was voor ons ook nieuw trouwens– en we vonden elkaars materiaal gewoon te tof om niet op de plaat te zetten. Yannick had al die nummers ook op een bepaalde manier gerangschikt waardoor die een soort verhaal vormden. En we wilden daar dan niets meer vanaf doen. Het was dit en niets anders.
Melis: De plaat ligt wat in de lijn van ‘True That’ de plaat van acteur Michael Cera die hij gewoon op Bandcamp gooide. Dat zijn allemaal ideetjes en soms wat meer uitgewerkte songs, maar allemaal heel spontaan. Het is één van mijn favoriete platen van de laatste jaren.
Aerts: Zoals Noah al zei, hadden we vroeger meer de neiging om de songs als groep uit te werken, maar dit keer was iedereen baas over zijn eigen song. Als we soms naar demo’s luisterden, ontdekten we daar een frisheid en spontaniteit in, die op de plaat wat weg was. Die spontaniteit wilden we dit keer bewaren.

Jullie trokken voor de opnames naar de studio van Derek Almstead. Hoe kwamen jullie daar terecht?
Aerts: Wij zijn al heel lang fan van het muzikaal collectief Elephant 6 en voor ‘Cycle’ hadden we hem en Will (Cullen Hart, n.v.d.r.) van The Olivia Tremor Control gevraagd voor de mix. Maar uiteindelijk is dat niet doorgegaan.
Melis: De mix, die zij maakten, was gewoonweg niet wat wij in ons hoofd hadden voor die nummers. Het voelde echt vreemd aan. Wij waren meer “into psych” toen. Eigenlijk klinkt die mix meer als de huidige plaat: supercool. Ik heb soms spijt dat we er toen niet voor gegaan zijn, als ik die nu opnieuw beluister. Maar we zijn wel steeds contact blijven houden.
Aerts: Na de aanslagen in Brussel kregen we een bezorgde e-mail van hem om te vragen hoe het met ons ging en waar we mee bezig waren. En toen vroeg hij gewoon of we niet eens langs wilden komen. Vorige keer stond hij erg ver van het opnameproces en het was moeilijk om via mail uit te leggen wat we wilden. En dus vond hij het doodnormaal dat we alles daar ter plaatse kwamen doen voor de nieuwe plaat.
Melis: We hebben toen meteen beslist om dat te doen.
Aerts: Ik had eerst nog wat voorbehoud, maar je komt daar dan aan en je voelt direct: dit is de kerel die wij nodig hebben. We zaten volledig op dezelfde golflengte.
Melis: Er stond ook al meteen een geweldig grote pot weed klaar voor ons. Dat was de perfecte ijsbreker. (lacht)

Een aantal tracks zijn erg kort. Pop Bubbles duurt amper anderhalve minuut, Silence Is Easy nog geen vijftig seconden. Waarom moesten die toch op de plaat?
Aerts: Omdat die, naar ons aanvoelen, pasten in het verhaal. Ze vormen soms een rustpunt of een overgang naar het volgende nummer.
Melis: Ik vind Pop Bubbles en Mantra volwaardige songs. We spelen die twee ook al live. Andere, instrumentale songs als Disney of Dionysia zijn heel weird zoals The Olivia Tremor Control, een band waarmee we werkten aan deze plaat, ze vaak speelt. Die hebben bijvoorbeeld een plaat (‘Dusk At Cubist Castle’, nvdr) waarop eerst elf songs staan en dan volgen er evenveel die allemaal Green Typewriters heten. Superweird, maar ook supergaaf. Bij ons durft niemand zo’n dingen uitbrengen. Maar dat is juist chique.
Aerts: We luisteren de laatste tijd ook veel naar ambient dingen. En het is ook wel leuk om instrumentale songs te brengen, terwijl we als band bekend staan om onze meerstemmige samenzang. Julian Lynch was dit keer een groot voorbeeld voor ons.
Melis: Het was heel leuk om te breken met die harmoniezang. Ik heb in de studio vaak geopperd om de achtergrondzang te laten vallen bijvoorbeeld. Dat was voor ons een leuke oefening.
Aerts: Het is voor zo’n lange plaat ook gewoon nodig om af en toe een rustpunt te hebben waarop je kan wegdromen om dan weer meegezogen te worden in een song. De bedoeling was om één lange trip te maken.
Melis: We merken ook dat dit live goed werkt: twee echte songs en dan een iets meer trippy ding daartussen en dan terug bam, zo’n meer poppy song. Dan zie je mensen echt opkijken. 

De plaat klinkt over het algemeen heel soft, op een paar uitzonderingen als Naturally na. Een bewuste keuze?
Aerts: Dat komt vooral omdat we vanuit demo’s en slaapkameropnames vertrokken zijn. We hebben ons ook een paar keer afgezonderd in zo’n hutje in de Ardennen. Dan ben je even weg uit het drukke leven en komtje tot rust. En dat uit zich ook in de muziek.
Melis: We hebben de songs niet geschreven in een repetitiehok, waarin je al snel jezelf wil laten gelden ten opzichte van de andere muzikanten. Dan ben je al snel aan het rocken, snap je. Dit was gewoon een veel meer relaxte manier van werken.

Jullie lieten al een paar keer het woord “verhaal” vallen. Wat is het verhaal van de plaat?
Aerts: Dat is heel complex; zoals het leven eigenlijk… (lacht). In het begin helpt een verhaal me wel om een bepaalde richting uit te gaan, maar na een tijd klopt dat verhaal niet meer en begin je er wat mee te "fokken". Dat vind ik plezant. Ik hou er wel van om van een concept te vertrekken, maar er zijn niet veel goede conceptplaten. Dus laten we dat langzaam los. Het is alleen goed als vertrekpunt. Uiteindelijk zitten er veel verhalen in, maar lopen die door elkaar heen. Als ik zelf teksten schrijf, wil ik trouwens dat ik zelf na een tijd niet meer weet wat ik bedoel. Ik probeer de betekenis snel los te laten. Dat maakt het interessanter.
Melis: De plaat is uiteindelijk zo samengesteld dat je ze best in vier delen beluisterd; zoals ze zullen staan op de vier lp-kanten van de vinyl.
Aerts: Je kan er moeilijk zo maar een nummer uitpikken. Ze werkt het best in zijn geheel of, zoals Noah zegt, in vier delen.

Hebben jullie desondanks toch een favoriete track?
Melis: We hebben allemaal een andere favoriet en dat is telkens een song die we niet zelf hebben geschreven. Zijn favoriet is een song, die Stijn en ik hebben geschreven. Mijn favoriet is eentje, die Yannick en Stijn hebben gemaakt en waaraan ik alleen maar wat ruis heb toegevoegd, enzoverder. Wel grappig eigenlijk.
Aerts: Wij zijn elkaars grootste fan. Behalve Stijn, zijn favoriet nummer is waarschijnlijk één van hemzelf. (lacht)
Melis: Onze favorieten zijn dus niet meteen de meest uitgewerkte songs.

Waar haalden jullie de titel en wat betekent die?
Melis: (tegen Aerts) Dat was een samenwerking tussen ons, nietwaar?
Aerts: (knikt.)
Melis: We zochten naar een titel en ik denk dat ik met “hard fun” afkwam.
Aerts: Eigenlijk ging het zo: we verbleven tijdens de opnames in Athens bij mensen thuis en die vroegen een keer hoe het was gegaan in de studio en toen antwoordde jij: “It was fun… but hard fun”.
Melis: We hebben daar hard gewerkt. We waren daar dertig dagen en negenentwintig daarvan zaten we in de studio.
Aerts: En met een strak schema. Na het ontbijt naar de studio en dan doorwerken vanaf elf uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds. Veel licht hebben we niet gezien. We wilden echt alles uit de kast halen en alle nummers door Derek onder handen laten nemen.
Melis: Uiteindelijk is er maar eentje gesneuveld.
Aerts: Het woord “Design” duidt op de puzzel. We hebben er heel lang over gedaan om de uiteindelijke volgorde van de songs te bepalen. We hebben die puzzel honderd keer herlegd. De combinaties, die je kan maken met zesentwintig songs, is schier eindeloos! Een song was eigenlijk ook nog niet helemaal af (Enchanting Allure) en pas na een maand wist ik: verdomme, hier moet “spoken word” over. En pas daarna viel alles op zijn plaats. Ik heb dan ook de woorden “hard fun grand design” in die tekst gestoken.


Die tekst wordt ingesproken door een vrouw. Wie is dat?
Melis: Dat is een bevriende Canadese muzikante, die ik ken van een platenlabel waar ik fan van ben.
Aerts: We hebben veel gasten op de plaat. We wisten dat Derek veel mensen kende en wanneer er iemand langs kwam in de studio, vroegen we soms spontaan om mee te doen. Ook zo vielen soms puzzelstukjes automatisch op hun plaats.
Melis: Heel Athens loopt vol met muzikanten en, ook al is het niet groot, toch is er elke avond wel een show. Dat is typisch Amerikaans. Die zetten alles samen. In één wijk staan alle muziekzalen en iedereen hangt daar dan ook rond.
Aerts: Zo kwamen we op een feestje Charlie Shapiro tegen. Hij speelt bij Nive Nielsen, zijn vriendin, en bleek ook een goede maat te zijn van Tom Pintens en allemaal mensen uit Antwerpen te kennen. Dat was heel raar. Hij heeft banjo en zingende zaag gespeeld op een paar nummers.  

Al die gasten kunnen jullie natuurlijk niet meenemen op tour. Hoe lossen jullie dat op?
Aerts: Live spelen we met vijf. Annelies Van Dinter en Mathias Mu komen ons versterken.
Melis: We zijn nog maar net terug van een kleine tournee van vier dagen en het is nog wel aftasten. We spelen ook elk een ander instrument dan vroeger. Stijn speelt nu vooral toetsen in plaats van gitaar. Hij (wijst naar Aerts) bast nu. Iedereen moet zijn plooi nog wat vinden.

Zijn er shows waar jullie meer naar uitkijken dan andere?
Aerts: Ik kijk vooral uit naar de zuiderse landen: Portugal en Spanje. Daar hebben we nog nooit gespeeld.
Melis: Ik denk ook dat onze muziek daar beter marcheert.

Wij zagen de band op Little Waves. Zelf kan je in de trip van Bed Rugs duiken in Het Bos te Antwerpen op 26 mei, op 22 juni in Cactus, op 23 juni in de Beursschouwburg in Brussel en op 3 augustus op Linkerwoofer, maar uiteraard komen daar nog data bij.


21 mei 2018
Marc Alenus