Little Waves - Werken naar een hoogtepunt

C-mine, 14 april 2018

Het was alweer een divers programma dat in C-Mine werd voorgeschoteld voor dit buitenbeentje van de festivalwereld. Maar voor buitenbeentjes hebben wij nu eenmaal een zwak. Dus togen wij naar Genk om daar een avond door te brengen die heen en weer wiegde tussen intieme singer-songwriters, uitbundige roots en afgerond werd met een nieuwe kijk op oude songs.

Bed Rugs kreeg de moeilijke taak deze editie van Little Waves te openen. Hun dromerige psychrock is veel beter geschikt voor de uren waarop Vlaanderen al effectief in dromenland ligt, maar nu was het zowaar nog etenstijd en in de pizza, die we net achter de kiezen hadden, zaten wel paddenstoelen, maar niet de juiste om al helemaal in de mood te zijn. Tot overmaat van ramp was drummer-zanger Noah Melis eerder op de dag gevallen met de fiets en kondigde Lies Steppe de band aan als Red Bugs.

Maar de Antwerpenaars, aangevuld met Annelies Van Dinter en Mathias MU, trokken zich van al die zaken niets aan en doken vol overgave in ‘Hard Fun Grand Design’, het binnenkort te verschijnen album van Bed Rugs. Uit die plaat speelden ze hier enkel de gezongen tracks, te beginnen, net als op de plaat, met Each Side.

Aan bindteksten deed de band amper en dat kwam de trip zeker ten goede. Die werd in elk nummer opgewekt door een caleidoscopische mix van bijna altijd drie tot vier stemmen, drums, bas, akoestische gitaar, veel elektronica en kleine percussie.

Knap was vooral het middenstuk met een stevige versie van Peninsula en een erg trippy Violent Fiction. Uiteindelijk kregen we exact de helft van de zesentwintig tracks van op de nieuwe plaat te horen, maar die smaakten alvast naar meer, dus laat maar komen die handel.

Het blijft moeilijk voor Blitzen Trapper om voet aan grond te krijgen in Europa, maar aan de main stage had zich toch al wat volk verzameld. Terecht trouwens, want de band speelde fris van de lever, oogde scherp en klonk ook zo.

Het betreft hier een tournee rond nieuwe plaat ‘Wild And Reckless’, maar de setlist bestond toch maar voor een derde uit nieuwe songs, waaronder het aan de Springsteen van 'Tunnel Of Love' refererende Love Grow Cold, aangevuld met klassiekers als het onmisbare Furr, het prachtig melzncholische Love The Way You Walk Away en het van altcountry naar indiepop overschakelende Astronaut.

Maar vooral het afsluitende duo Thirsty Man en Wind Don’t Always Blow bleef nog even nazinderen vanwege de lange, bijna jazzy solo’s en de sfeerwissel van strak naar ijl en zwanger van reverb en weer terug. Blitzen Trapper blijft een schitterende liveband, die wij blijven koesteren.

Little Waves geeft traditioneel ook het podium aan enkele singer-songwriters. Voor deze editie haalden ze bijvoorbeeld Mick Flannery naar Genk. De Ier is hier niet zo bekend, ook al gaat hij al tien jaar en vijf albums mee, maar toch werden zijn songs her en der meegezongen in de zaal. Die songs zijn geënt op voorbeelden als Bob Dylan, Tom Waits en Leonard Cohen en zijn vaak geïnspireerd door gebroken relaties (Boston, Keeping Score, The Blame)of onvrede met onze veel te snelle maatschappij (How High, The Tender).

Achter de piano klonk Flannery als een jonge, Ierse Billy Joel. Met zijn omgekeerde rechtse gitaar omgegord, mat de linkshandige singer-songwriter zichzelf een meer rootsy geluid aan. En ook al klonken zijn songs vaak donker, toch vergat de Ier niet om humor in de set te steken. Dat deed hij niet alleen in de bindteksten waarin hij vermakelijke verhalen vertelde over zijn grootvader of Blarney Castle maar ook in de songs zelf. Typerend was in dat geval ook dat hij na zijn anti-kapitalismesong I Own You vertelde dat hij na de show aan de merchstand te vinden zou zijn. Flannery bracht met andere woorden een boeiende, authentieke en onderhoudende set.

Het was duidelijk dat Douglas Firs beter in het oor van het Little Waves-publiek lag dan Blitzen Trapper (hoewel Gertjan zijn bewondering voor die band uitsprak). Dat zag je aan de opkomst, maar misschien nog meer aan de beleving op de eerste rijen waar teksten (ook de nieuwe) werden meegelipt en ogen in vervoering werden gesloten.

Niet onlogisch, gezien de weerklank die GertJan Van Hellemont en zijn band hier ten lande terecht krijgt. Hij heeft bovendien zo stilaan de liedjes verzameld waarmee je een publiek kan boeien. Intussen is hij ook nog eens gegroeid; ouder geworden ook en dat heeft zo zijn weerslag op het materiaal.

Ooit hadden wij het moeilijk met zijn stem, maar inmiddels zijn we die gewend geraakt. Meer nog, ze past als gegoten bij zijn werk. En als je dan ook nog kleine pareltjes schrijft als Montréal - het publiek bleef dan wel koel onder dat magische akkoord, het liedje liet hen allerminst koud - dan ben je je van een plek in de harten van je fans verzekerd. Songs als Judy, Hannah en Don’t Buy The House deden de rest. Gesmaakte show van een band die in dit genre in België mee aan de top staat en zelfs internationaal mogelijkheden lijkt te hebben.

Ladies hour, dan met This Is The Kit, de band van Kate Stables. Wat stond die lekker ontspannen op het podium, zeg. Ze had niet eens een echte setlist voorbereid en vergat zelfs haar “banjoharnas” om te doen vooraleer op te komen zodat haar bassiste Rozi Plain terug af moest om het te halen. Krullebol (zoals haar grootvader haar noemde en zoals ook haar eerste album heet) speelde dan maar een cover van Alabaster Deplumes Tell Me.

Ook daarna vergastte ze ons niet meteen op songs uit haar fantastische laatste plaat ‘Moonshine Freeze’ maar speelde ze Silver John uit ‘Bashed Out’. Pas daarna nam ze de door velen gehate banjo ter hand en kwam de set echt op gang met Emtpy No Teeth en Moonshine Freeze. Was Stables nog een beetje loom na haar bezoek aan het Genkse zwembad eerde die dag? Feit is dat ze plots ontdekte dat ze prijsbeest By My Demon Eye vergeten was op te nemen in de set en toen ze dat had gespeeld, wist ze niet hoe ze verder moest.

Een verzoekje om Two Wooden Spoons redde haar uit de situatie en na dit oudje waarin Stables bewees een aardig deuntje te kunnen fluiten en Neil Smith zijn kunsten toonde op de elektrische gitaar, volgde het ene hoogtepunt na het andere met een potig Hotter Colder als orgelpunt en een meanderend Bashed Out als leuke toegift.

This Is The Kit bood op ontspannen en zelfverzekerde wijze een overzicht van haar carrière en beloofde terug te komen, al was het maar voor het zwembad. Hoe ver is de wei van Pukkelpop van hier?

Een verdieping hoger in de compressorenhal moest Bonfire Lakes opboksen tegen de galm van de ruimte en er ook nog eens het getater van de kakelkippen aan de toog bij nemen. Gelukkig waren er toch een paar liefhebbers van de uiterst intieme altcountry van dit viertal voor wie stemmen, akoestische gitaar en wat selecte toetsen en elektrische gitaar (en dus geen drums) volstonden om een verrukkelijke, weldadige melancholie op te roepen. Geef hen een klein zaaltje met aandachtige luisteraars en je krijgt een dot van een show.

Bandjes uit Ierland, er zijn er doorheen de jaren nogal wat gepasseerd. Of The Academic meer indruk zal maken dan de volgende of de vorige? Ach, ze hebben leuke liedjes, maar niet van het soort dat ons alvast uit de zetel doet komen. Het is allemaal nogal braaf en proper. Maar dat kan aan ons liggen en er is nog ruimte voor verbetering. Maar oordeelt u vooral zelf als u ooit de kans krijgt om hen aan het werk te zien.

Op de Upstairs Stage stond als laatste Holly Miranda, de band die wij vooral kenden van de wondermooie samenwerking met Kyp Malone: Exquisite. De Amerikaanse was zelf wat ondersteboven van de setting waarin ze stond (tussen oude motoren van mijnliften) en bracht vooral liedjes uit haar recente album ‘Mutual Horse’ met een melancholische, wat bluesy stem, die ongelooflijk goed paste bij de heimwee naar het roemrijke verleden die de gebouwen van C-Mine bij sommigen oproepen.

De Amerikaanse band stond hier trouwens in kleine bezetting met de frontvrouw op elektrische gitaar, Jonathan Ulman met een afgeslankte drumkit en – gelukkig – de baritonsax van Maria Eisen. Die laatste gaf de songs van de band een unieke kleur.

Zonder boe of ba trapte de band de deur open met Golden Spiral en meteen viel rondom ons menige mond open. Net als op het album ging het trio daarna verder met het ingetogen To Be Loved, maar dit keer uiteraard zonder de synths die eigen zijn aan dat nummer. Vreemd genoeg speelde Holly Miranda ook een groot deel covers. Wij herkenden Never Tear Us Apart van INXS, Nothing Can Change This Love van Sam Cooke en Glass Concrete & Stone van David Byrne. Holly Miranda heeft nochtans genoeg eigen materiaal wat uitstapjes naar haar naamloze album uit 2015 en ‘The Magician’s Private Library’ bewezen.

Hoe dan ook: Holly Miranda had zeker niet misstaan in een van de grotere zalen. Zij wist ons ondanks de beperkingen – op haar plaat spelen zesentwintig muzikanten mee! - omver te blazen. En niet enkel wij waren onder de indruk want gaandeweg vonden meer en meer mensen de weg naar boven. Holly Miranda wint bij deze de publieksprijs en de titel “ontdekking van de dag”.

En dan was er nog Mercury Rev, die het twintigjarig bestaan van doorbraakplaat 'Deserter's Songs' op een speciale manier in de verf kwam zetten. Gezien de uitgebreide arrangementen die de band op plaat voorzien heeft voor hun songs, kozen ze ervoor om de publiek nu inkijk te geven op hoe de songs klonken zoals zij ze oorspronkelijk hadden geschreven en gehoord; de demoversies dus, zeg maar. Zanger-gitarist Jonathan Donahue was zo vriendelijk om het hele gebeuren ruimschoots van uitleg te voorzien, waardoor de toeschouwers meteen deelgenoot werden van een uniek stukje muziekgeschiedenis. Je leerde dat de band er na 'See You On The Other Side' op een haar na de brui aan gaf, hoe Donahue ooit nog speelde bij The Flaming Lips – bij nader inzien lijkt die connectie, gezien het geluid van beide bands, zelfs logisch – en hoe ze kennis maakten met Mark Linkous van Sparklehorse.

Dat leverde vaak helemaal onverwachte, muzikale juweeltjes af als Love Yer Brain van Flaming Lips en – misschien nog wel mooier – Sea Of Teeth (Sparklehorse). Maar het draaide uiteraard om de uitgeklede versies van de songs van die ene plaat, die de harten stal van talloze muziekliefhebbers. The Funny Bird, bijvoorbeeld waarmee de show werd afgevuurd; of het totaal over de top getilde Endlessly met die compleet van de pot gerukte verwijzing naar Stille Nacht. De dwarsfluit werd hiervoor zelfs (bij uitzondering) bovengehaald.

Net omdat de instrumentatie zo beperkt werd gehouden (piano/toetsen, akoestische en elektrische gitaar), voelden de songs zowaar nog warmer aan dan ze dat op plaat doen. Grasshopper legde vluchtige accenten met elektische gitaar en occasioneel met mondharmonica. En Donahue was zijn charmante zelf, leek toeschouwers uit te zoeken in het publiek die hij dan toezong. Hoewel zijn stem aanvankelijk nogal onstabiel leek, was daar tijdens de show weinig of niets meer van te merken.

Uiteindelijk werd de show na een dikke drie kwartier afgesloten met een prachtige versie van Goddess On A Hiway, die ons het terrein met een brede glimlach deed verlaten. Klagen hoorde je niemand. Om meer hadden wij dan ook niet gevraagd.

Marc Alenus

15 april 2018
Patrick Van Gestel