Malajube - Trompe-l'oeil
City Slang
Guy Kennis — 8 november 2008

Soms komen er op de redactie cd’s aangewaaid waar we in eerste instantie weinig raad mee weten. 'Trompe-l’oeil' van het Canadese rock/popkwintet Malajube is er zo eentje. De titel van de cd verraadt echter al veel: een zinsbegoocheling, niets is wat het lijkt. Hun thuisbasis is Montréal, Canada en ze zingen in het plaatselijke Franse Québécois. Verrassend, dat wel. De productie van hun debuut uit 2004 was in handen van Martin Pelland van The Dears (en die kennen we wel). Ze hebben onmiddellijk succes in de plaatselijke scène. Ze toeren veelvuldig in heel de regio en worden vaak op de radio gedraaid.
Dit tweede album dateert al van februari 2006, het is dan ook een raadsel dat het nu pas op ons bureau belandt maar blijkbaar willen ze regio per regio veroveren. In de loop van 2006 trekken ze dan ook de aandacht van het Engelssprekende gedeelte van Canada. In de herfst van datzelfde jaar moet Amerika er aan geloven of toch een deel ervan. Via lokale indie-festivals en hier een daar een prijs als veelbelovende nieuwe groep veroveren ze beetje bij beetje het grote buurland. En nu wordt dus ook Europa bestookt en dat is geen slechte zet want dit is muziek die het ook hier niet slecht zal doen.
De kamerbreed georkestreerde muziek zou je kunnen vergelijken met het werk van hun landgenoten The Arcade Fire, maar dan wat luchtiger. Ook namen van eigenzinnige bands als Blonde Redhead, Sparklehorse, Flaming Lips en Guillemots schieten ons te binnen bij het beluisteren van dit album. Montréal -40°C en Pâte Filo zijn nog enigszins rechttoe rechtaan rocknummertjes maar vanaf Le Crabe beginnen de tempowisselingen, alsof ze het niet meer in de hand kunnen houden. Hun muziek stuitert naar alle kanten en wordt daardoor soms stuurloos en onsamenhangend. Anderzijds etaleren ze op die manier een enorme karrenvracht aan ideeën en muzikale technische hoogstandjes.
De kamerbreed georkestreerde muziek zou je kunnen vergelijken met het werk van hun landgenoten The Arcade Fire, maar dan wat luchtiger. Ook namen van eigenzinnige bands als Blonde Redhead, Sparklehorse, Flaming Lips en Guillemots schieten ons te binnen bij het beluisteren van dit album. Montréal -40°C en Pâte Filo zijn nog enigszins rechttoe rechtaan rocknummertjes maar vanaf Le Crabe beginnen de tempowisselingen, alsof ze het niet meer in de hand kunnen houden. Hun muziek stuitert naar alle kanten en wordt daardoor soms stuurloos en onsamenhangend. Anderzijds etaleren ze op die manier een enorme karrenvracht aan ideeën en muzikale technische hoogstandjes.
Opener Jus de Canneberges had ons een beetje op een dwaalspoor gezet want dat was 58 seconden lang een lieflijk popliedje. Zelfs La Monogamie begint als een Frans countrydeuntje maar schakelt dan al snel over op snedige gitaarrock. En zo zit elke song vol met hooks en wendingen die soms leuk zijn maar even vaak gaan vervelen. Zeker als we er een formule in bespeuren. Ton Plât Favori is zo’n nummertje dat live waarschijnlijk wel pakt maar hier met zijn combinatie van een honky tonk piano op speed en pseudo-grappige stemmetjes geweldig op de zenuwen werkt. Fast forward! In La Russe komen geluidseffecten langs alle kanten uit de iPod, muzikaal te weinig interessant en tekstueel gaat het te snel voor ons.
Waar ze dan wel gewoon traditioneel te werk gaan zoals in Etienne d’Aout (flauwe woordspeling overigens) weten ze al meer te bekoren. Maar nergens is er die ontroering. De hele cd uitzitten is een opgave en dat lijken ze zelf gaandeweg te beseffen want naar het einde toe en zeker met het laatste nummer La Fin wordt er ingetogener en spaarzamer muziek gemaakt. Live in het clubcircuit is dit ongetwijfeld een klapper. Op cd moet er dringend gedoseerd worden, de ideeën gekanaliseerd. Maar dat de jongens kunnen spelen, dat lijdt geen twijfel.
