- Black Garden

Magna Carta Records

Christoph Lintermans17 november 2010

Black Garden

Bassist Ken Jaquess is vast van plan om van K² - Ketu, de op één na hoogste berg in de Himalaya - een supergroep te kneden in het spoor van Genesis en UK. Shaun Guerin, die klonk als Peter Gabriel, zong in een Genesis-tributeband, had enkele overtuigende soloalbums in de kast en mocht het debuutalbum ‘Book of the Dead’ inzingen. Zijn opvolger, Josh Gleason, heeft op ‘Black Garden’ hetzelfde timbre om deze keer het verhaal te doen van het oude Oceanië. Hij beschrijft hierin de reizen van de Polynesiërs over een derde van ’s werelds wateroppervlak, 2000 jaar vóór Columbus.


‘Book of the Dead’ heette vijf jaar terug het debuut van K², het project van de in LA wonende Ken Jaquess en het had alle ingrediënten in zich van de vintage progsound uit de jaren zeventig. Het concept, ontleend aan het oude Egypte, paste de breedvoerige muziek als een handschoen. Maar de opnames waren nog niet koud of zanger Shaun Guerin ruilde het tijdelijke voor het eeuwige. Sindsdien heeft deze grote belofte ongetwijfeld zijn plaats ingenomen tussen de sterren, in het pantheon van de goden.


En dan was er de aanwezigheid van meester-gitarist Allan Holdsworth. Hoe volg je zo’n reus op? Geen idee waar men Karl Johnson vandaan gehaald heeft, maar wat kan deze man spelen! Met verder Ryo Okumoto (Spock’s Beard) en drummer Doug Sanborn aan boord, is ‘Black Garden’ geen ommetje in het park.

Het titelnummer maakt meteen een potige indruk: dit is geen slaapwandelend sfeerstuk, maar stuwende rock met pittige gitaarsolo’s terwijl de mellotron de melodielijn uitzet.

Na een vocale intro krijgen we in Passage to the Deep die grommende Rickenbacker basklank te horen. Het is de aanzet tot het duel tussen een kronkelende gitaar en een hammondorgel. De spanning wordt opgelost door een pianosolo, tot een volgende spanningslijn wordt ingezet, deze keer met majestueuze toetsen, gestut door diezelfde basloopjes. En dan verschijnt hij: de minimoog waarvan Okumoto zijn typische salvo’s afvuurt. Vervolgens wordt het eerste thema hernomen tot een spacy outro de magische wereld van Polynesië laat wegsterven.

Het is een typische werkwijze van de band: de meeste songs worden ingeleid door een gezongen intro die het dramatische pad moet effenen. Widows Watch gaat hierin het verst omdat de proloog zich ontpopt tot een omstandige, narratieve expositie, tot Gleasons verhalende stem weerspiegeld wordt in een meditatieve moogsolo.

Ook Encounter or Absence drijft eerst voluit op vocale kracht, maar Gleason moet al snel zijn tekst enten op een tegendraadse ritmiek, terwijl Johnson en Okumoto hem komen aflossen.

De invloeden van Yes en Richard Strauss zijn tekenend in Storm at Sunset. Dit klinkt als een kruising tussen South Side of the Sky en Eine Alpensinfonie. Ook Path of the Warrior is een somptueuze maaltijd, een symfonisch stuk dat het ensemblespel op topsportniveau tilt. Het hymnische karakter maakt er een strijdlied voor een ogenschijnlijk verdwenen beschaving van.

Een glorieus slotakkoord, in meer dan één opzicht trouwens, want ‘Black Garden’ is een nieuwe overwinning voor Ken Jaquess’ supergroep.
← Terug naar overzicht