iLiKETRAiNS - He Who Saw The Deep
Konkurrent
Mattias Devriendt — 26 november 2010

I LIKE TRAINS heeft met ‘He Who Saw The Deep’ een opvolger voor het debuut ‘Elegies To Lessons Learnt’ uit 2007. Al wie een vleugje postrock wil zien binnensluipen in het popgenre, rept zich naar de platenboer en snel!
Vorig jaar schoof de band het achtminutendurende Sea Of Regrets als single naar voren. Strijkers en gitaren scheppen een Sigur Rós landschap dat langzaam over gaat in een dreunende gitaarstorm die even snel als hij opkwam weer gaat liggen en dan heel stil uitgesponnen wordt tot het einde. Een hoogtepunt, dat wel, maar niet de grootste kracht van deze plaat. Dat is veeleer de knappe integratie van postrockelementen in een schijnbaar eenvoudig opgebouwd popnummer.
Op wetenschappelijk verantwoorde sites als Wikipedia staat I LIKE TRAINS immers nog steeds geboekt als een postrockband. Maar op ‘He Who Saw The Deep’ zijn ze die status meer dan ontgroeid. Een postrockgitaartje, een climax, een contrast: ze duiken hier en daar inderdaad nog op, maar dan gematigder. Meer dan invloeden zijn het niet. Deze nieuwe langspeler is immers pop, maar dan wel niet van de pathetische of de commerciële soort die we deze maand hoorden bij twee Belgische grootheden, we noemen geen namen en al zeker geen singles.
Een goed voorbeeld is These Feet of Clay. Had de band ervoor gekozen om te eindigen met een climax in plaats van met fade-out, dan was het nummer misschien nog het mooiste voorbeeld geweest van hoe pop en postrock best verzoenbaar zijn. When We Were Kings spreekt dan weer zoals Motek het zou doen. Een gitaar met veel echo, een enigszins ontregelde maatsoort, een climax en een repetitief einde waarin een aardige spanning opgebouwd wordt. I LIKE TRAINS presenteert aldus stuk voor stuk knappe songs die wel toegankelijk klinken, maar veel complexer en origineler ineen zitten dan laat vermoeden. Het geheel klinkt echter nooit gekunsteld of geplakt en dat is een hele verdienste.
En er is meer. I LIKE TRAINS kan je bij het nekvel grijpen. Tijdens Hope Is Not Enough blaakt de band van intieme rust. Progress Is A Snake begint gelijkaardig waarna de drums de hoofdrol overnemen en de song meeslepen naar een krachtige finale. Doordat Martin nu en dan wat klagerig klinkt en zijn donkere zanglijnen niet altijd even passend zijn, is ‘He Who Saw The Deep’ geen constante plaat. Instrumentaal top, maar nu en dan in de problemen door een overbodige zangpartij. Voor wie overigens nog nooit van de band heeft gehoord, zanger David Martin zouden we qua stemgeluid kunnen plaatsen tussen Tom Smith van Editors en Matt Bernigers van The National, maar dan minder diep dan die laatste.
We horen een band die instrumentaal uitgekiende arrangementen maakt, moeiteloos schijnbaar erg verschillende delen aan elkaar weeft en bij dat alles zelden gevoelloos wordt. Een mooi, duister vervolg op de debuutplaat.
