Van een land met 313.000 inwoners, verspreid over een oppervlakte van 100.000 vierkante kilometer, dat bovendien aan het randje van onze wereld lijkt te hangen, verwacht men niet veel muzikale acrobatie. Dat gaat echter niet op voor het prachtige Ijsland. De laatste jaren kennen we een ongekende stroom aan nieuwe Ijslandse groepen en is er zowaar sprake van een bescheiden hype. De grondleggers hiervan zijn zonder twijfel Sigur Rós, die overigens vorig jaar met hun concertfilm ‘Heima’ een prachtig beeld schetsten van het meest tot de verbeelding sprekende land van onze planeet. Een andere aanrader om grip te krijgen op de bloeiende Ijslandse muziekscene is de documentaire ‘Screaming Masterpiece’ van Ari Alexander Ergis Magnússen.
In de toenemende populariteit van deze Ijslandse muziek zagen ook de AB en Bozar hun kans schoon om er een heus festival rond op te zetten. Iceland Airwaves is een miniatuurversie van het immense gelijknamige festival dat in oktober in Ijsland zelf plaatsvindt en biedt ons een staalkaart van het beste uit het hoge Noorden. Op de vierde avond van het festival was het vooral uitkijken naar de komst van het herbronde Múm, maar voor het zover was, kregen we nog een gezonde portie aanstormend talent voorgeschoteld.
Eerste in rij was Skakkamanage. Met zo’n groepsnaam moet je al sterk in je schoenen staan en dat bleek gelukkig ook het geval. Al snel bleek de club, en dan vooral het podium, veel te klein voor deze bende fanatiekelingen. Het zestal blonk tijdens deze eerste passage op Belgische bodem voornamelijk uit in veelzijdigheid. Waar het optreden nog gemoedelijk startte, werd het naar het einde toe een ware chaos. Zo’n evolutie juichen we niet altijd toe, maar Skakkamanage kwam er goed mee weg. Naast de klassieke instrumenten was het vooral de mondharmonica die de muziek zijn kleur gaf. Aanvankelijk hadden we onze twijfels bij de samenzang: apart twee uiterst mooie stemmen maar samen botsten ze als twee treinen op hetzelfde spoor. Desalniettemin een ontdekking. En het zou niet de eerste van de avond zijn.
Op hun huidige tour door Europa had Múm het ietwat vreemde Borko uitgekozen als voorprogramma. Hierdoor belandde het zestal ook op het grote podium van de AB. Getooid in niet altijd even flatterende marcellekes (speciaal voor de gelegenheid want tijdens zijn Wikipediazoektocht over Brussel was de über-Borko teweten gekomen dat de uitvinder ervan een Brusselaar was) vergastte de groep ons op een bizarre set. Voortdurend werd er gespeeld met de grens tussen ironie en ernst, wat Borko sierde. Ook hier weer afwisseling troef met als sleutelinstrument de trompet. Een genre kunnen we er wederom niet op plakken maar vast staat wel dat het om atypische maar opwindende Ijslandse muziek ging.
In de volksverhuizing richting Club die hierop volgde, raakten we hopeloos achterop en dus ook hopeloos te laat om het naar verluid fantastische Parachutes aan het werk te zien. Geduldig wachten op Kira Kira was dus de boodschap. En ook hier kunnen we de term ‘ontdekking’ weer bovenhalen. Onder het pseudoniem Kira Kira gaat Kristín Björk Kristjánsdóttir schuil. Qua podiumprésence had ze alleszins veel gemeen met haar bekende naamgenote en die vergelijking kon bij momenten ook doorgetrokken worden naar haar muziek. Geruggensteund door een uitstekende groep, waarin vooral de dubbele percussie een essentiële rol speelde, kregen we kleine knutselwerkjes te horen. Want knutselen is wat Kira Kira doet op het podium. Haar gereedschap daarvoor zijn een gitaar, laptop, muziekdoosjes en allerhande andere dingen die een doorsnee mens als rommel zou aanzien. De visuals op de achtergrond waren zelfs overbodig en dat is bij zulke muziek geen evidentie.
Múm vierde vorige jaar zijn tienjarig bestaan met de release van ‘Go Go Smear the Poison Ivy’ en kwam voor de vijfde keer afgezakt naar de AB om hun plaat voor te stellen. Ditmaal moesten we het zonder de zusjes Gyoa en Kristin Anna Valtysdottir stellen: zij verlieten enkele jaren geleden de groep. Op het podium zagen we nu een divers achttal onder de deskundige leiding van Gunnar Örn Tynes. Naast de vrouwelijke stemmen die steeds een onontbeerlijk deel van Múms muziek hebben uitgemaakt, kreeg ook hij een prominente rol toebedeelt op vocaal vlak en die vervulde hij met verve.
Na het openingsnummer waarbij zowat iedereen uit de andere groepen aantrad als achtergrondkoor kregen we het ontroerende Moon Pulls te horen met daaropvolgend Oh, How the Boat Drifts. Het eerste kippenvel van de avond verscheen op onze armen. Hierna evolueerde Múm echter geleidelijk aan naar een meer uitbundige sfeer die zijn hoogtepunt kende met Dancing Behind My Eyelids. De Múm van vroeger was nog slechts een echo in wat we nu te horen kregen. Wat wel hetzelfde is gebleven, is de manier waarop je opgenomen wordt en, als je het jezelf toelaat, in een soort van trance geraakt waarin je je laat meevoeren op de wonderlijke klanken die Múm uit haar instrumenten haalt. Het verschil bestaat er hem in dat die klanken vandaag heel wat dansbaarder zijn geworden. Deze evolutie zou door de fans wel eens kritisch onthaald kunnen worden maar wij zien het als een absolute noodzaak én een meer dan geslaagde herbronning.