BMU-Fest 2007
België toont haar schatten
Kris Hadermann
Frontline, Gent — 8 november 2008
Gent staat weer op zijn kop. Eerst gaat drie vierde van het tourpeloton er tegen het asfalt en nog geen week later gaan de Gentse feesten van start. De Franse vlaggen en de tourtierlantijntjes hingen nog buiten. Geen echte topaffiche dit jaar op BMU-fest, maar dat maakt het alleen maar spannender om eens wat nieuwe gezichten aan u voor te stellen.
Groep met het pistool was Avoid. Door ons al flink gesmaakt tijdens Hocrock en Sterk IJzer fest en dus hadden zij de zware taak om te bevestigen. Veel last ondervonden de sympathieke Oostendenaars - of daar toch niet ver vandaan - daar niet van. Opnieuw faalde hun hypermoderne death/thrash niet. Nog harder beukend dan de boom die verstopt zit in dat woord schoten harde snaarslagen en gonzende huiden de eerste dag op gang. Vooral hun nieuwe werk liet veel progressie merken. Op veel ambiance kon de openingsact traditiegetrouw niet rekenen, maar wanneer deze jongens eens voor een wat warmgespeeld publiek mogen spelen gaat het dak eraf. De vuurkracht is er, de naam moet nog groeien.
Een eerste naam die ons bij voorbaat even bekend was als het exacte aantal sekspartners van Pamela Anderson, was Indemnity. Gelukkig is dat iets wat we wél kunnen nagaan zonder onze handen vuil te maken. Al wie in dezelfde situatie verkeerde zal nu wel weten wie en wat die jonge band is. Ingepakt in een veel strakkere jeans dan het kruis van vrouwe Anderson draaiden ze zich in een wervelende old-school thrash windhoos die geen moment aan snelheid moest inboeten. Precies zoals het oude Sepultura het hen voordeed lieten ze hun gitaren brommen als Harley Davidsons en stormden ze van de ene up-tempo riff naar de andere. Zelfs vocaal verraste de frontman met de bas door een heel eigen geluid uit de stembanden te wringen, dat klonk als een een kruising tussen Lemi van Motörhead en ACDC. Het perfecte bewijs dat ook jonge mensen stokoude thrash in de vingers hebben.
Voor het eerst die dag besteeg het publiek de stalen trap.Verwonderlijk, maar zeker niet ongebruikelijk, stond daar een grindcoreband geprogrammeerd. Dat terwijl er een grindcoredag was voorzien. Wederom was Witness the End ons volkomen onbekend. Nog voor we goed en wel de architectonische creativiteit van drumstellenbouwer Staccato uitgedokterd hadden (de spierwitte cilinders hadden een hoornachtige kromming en een deuk, de fotogallerij biedt meer duidelijkheid, nvdr.), hadden de stokken daar al enkele mitrailleursalvo's uitgemept. Aanvankelijk kreeg de vellenman er geen verbazend tempo uit, maar naar het einde toe pikte hij zijn wagon toch bij de sneltrein aan. Witness the End maakte er dan ook een verpulverende set van. Schrapende gitaarstrepen en striemende ex -en inhalerende vocalen. Chaos, die perfect op de planken werd gezet door een excentrieke microfoonblazer. Niet toegankelijk, en dat uitte het publiek met de voeten. Misschien toch maar op de grindcoredag posteren volgende keer.
Beneden stond de thuisploeg zich klaar te maken. De stem van Colcothar toonde zich in de eerste plaats van zijn humoristische kant. Grappen over bijvoorbeeld die keer dat hij ging kakken zonder wc-papier leidden elk nummer in. Tijdens die nummers beklom de steeds lachende man dan weer alle uithoeken van het podium om daar zijn erg matige grunt over de stevig in de death kokende thrash uit te spuwen. Die matigheid was vooral het probleem dat we hadden met Colcothar. Niks wat de snaarinstrumenten uitbrulden was echt captivant genoeg om van een volledig succes te spreken. Gezien de kwaliteit van de andere acts kwamen de Gentenaars dus tekort om ze echt aan te bevelen.
Op de eerste en enige verdieping hield een oude bekende de micro vast. Wij zagen hem al als medezanger van Serial Butcher en Putrid Inbred. Vandaag had hij zijn eigen band eens meegebracht, genoemd naar een wel heel lugubere hobby. Skull Collector bleef ver uit de buurt van voorgenoemde bands. Rampzalig was de keuze om zonder bassist te spelen. Zo'n vette baslijn zet immers de lijnen uit waarbinnen de gitaren hun geweld mogen kleuren. Bij gemis van zo’n lijn raasden de gitaren heel rommelig en onherkenbaar voorbij als een zwerm wespen met de baard in de keel. Daar kon de best wel stevige grunt en de ervaren blonde rot achter de speciale kit niets meer aan doen. Voor death metal heb je een basgitaar nodig, daar zou Skull Collector beter naar op zoek gaan in plaats van een groupie guest vocals te laten doen.
Aanvankelijk stond de enige buitenlandse act geprogrammeerd als afsluiter, maar ineens mochten de extraverte Hollanders van Flesh Made Sin enkele uren vroeger uit de catacomben komen. Niet dat daar iemand om gemaald zal hebben, want hun agressieve thrash gaat er op elk moment van de dag in. De frontman zag er dan wel uit als een afgepeuzelde saté, de riffs die hij en zijn companen uit de instrumenten haalden borrelden stevig in het vlees. Spijkerharde up-tempo nekbrekers deelden de partituur met stugge gitaarrammen. En dat alles keurig aan elkaar gekraaid door een zelfzeker overkomende frontman. Voor de bindingsteksten was de Frontline niet zo te vinden, de pijnlijke stiltes als antwoord daarop verraadden dat. Nog een geluk dat een blastende Tormentor en nog van die kanonskogels voor een muzikaal hoogtepunt van de dag konden zorgen.
Had de band, die boven heet en gereed stond, zelf niet gezegd dat zij pas na het volgende benedenoptreden gingen spelen, hadden we een van België's meest gerespecteerde nieuwe bands gemist. Dat is wel het minste wat je van Thurisaz mag zeggen. Eind juni nog op Graspop gespeeld en een nieuw album uit bij Shiver, dan hoor je bij de grote jongens. Weinig verrassend dan ook dat zij het grootste publiek voor hun neus kregen. Dat publiek viel in grote getalen voor de melodische black/death waar de heren live indruk mee maakten. Nochtans zijn het geen wonderlijke akkoorden of riffs die ze aan elkaar lijmen. Maar met die uitgestrekte keyboardoceaan die daaronder druist en de live erg nipte tweestemmige cleane zang zit er veel meer diepte in de songs. En zo kwam het dat iedereen tijdens de trage gallops weelderig de scalp schudde. Als je rauwe black metal en niet al te ruige death metal kan afwisselen met van die gevoeligere zangballades begeleid door pakkende keys, kan je met climaxen beginnen werken. En dat is algemeen binnen de muziek hetgeen een publiek van smult. Een wetenschap die Thurisaz uitstekend uitbuit.
Over naar de band die ons wegwijs maakte in de organisatorische chaos. Het tijdschema mocht naar de prullenmand, want de achterstand bedroeg ondertussen een heel dik uur. Zo lang had The Seventh zich boven moeten bezighouden alvorens zij het publiek mochten ontvangen. Dat deden ze met hun woeste vikingmetal, waarmee ze onze aandacht trokken vorig jaar op Sterk Ijzer Fest. Aanvankelijk ging dat er niet zo goed in bij het publiek, maar de Antwerpenaren hadden de geniale ingeving om in het midden van hun speellijst een cover van Amon Amarth te steken. Death in Fire kwam er zo vloeiend uit dat de zaal de handrem loste en het laatste deel van het optreden al headbangend doormaakte. Een juiste reactie, want The Seventh waste met versplinterende snaarsalvo’s en van scream naar grunt springende vocals het kleine zaaltje in de door Amon Amarth voorgeschreven vikingsfeer. Alleen probeerden ze soms te wild te klinken waardoor de stijl er een beetje uitging. Niettemin een duidelijk Belgisch antwoord op het succes van Amon Amarth.
Met knikkende knieën stegen we de trap af. Reden: Panchrysia. Ooit zagen we hen totaal floppen op Blikfest. Vergevingsgezind als we zijn gaven we hen toch opnieuw de kans om ons te overtuigen met hun schrikwekkende black metal. Net als op de bewuste editie van Blikfest viel de typische black metal kleding en make-up op. Een stoffige leren jekker die ze precies uit een moeras hadden gegraven, kogelriemen, lederen broeken en enkele ijzerwaren sierden de lichamen. Wel anders was dat de frontman de gitaar had afgegeven en nu alleen de krijs op zijn conto schreef. Dat werkte bevrijdend, want nu kon hij zich als iemand die voor het eerst in jaren uit een dwangbuis mocht over de bühne bewegen. Ook de kwaliteit floreerde daaronder. Heldere, satanische akkoorden tergden de versterkers, geholpen door kletterende drums en wat schokkende krijszang. Daarvoor zat de hyperactiviteit van de man met micro wellicht voor iets tussen, maar dit keer bevredigde Panchrysia wel de black metalbehoefte. Onze favoriet zullen ze nooit worden, maar deze verschijning levert hen een deliberatie op.
De thrash/black dag kreeg een stevig sluitstuk. Wij hadden begrepen dat Flesh made Sin die rol mocht spelen, maar hen hadden we dus al als hors d’oeuvre gekregen. Niet dat we eraan twijfelden dat Moker die taak zou aankunnen hoor, want als we op de vorige editie iets ontdekt hadden, dan was het wel dat die band momenteel zowat de brutaalste deathcore speelt van het land. Met dat recept en hun onfeilbare attitude bestormde de Antwerpse band het podium en timmerde de donderblasts aan elkaar. Toch hamerden ze af en toe eens op hun eigen vingers, waarmee we bedoelen dat sommige nummers niet op gang kwamen. Maar eenmaal gerodeerd hadden de songs het effect van een rijdende bulldozer: niet te stuiten, destructief en dat alles zonder zich in moeilijke bochten te wringen. Groot talent, dat mits een goede begeleiding een internationale status kan halen.
Tot zover een sterk bezette black/thrash dag. Graag verwijzen wij u naar het verslag van de doomdag, waar we vluchtig terugkomen op deze dag in de conclusie.
Tot zover een sterk bezette black/thrash dag. Graag verwijzen wij u naar het verslag van de doomdag, waar we vluchtig terugkomen op deze dag in de conclusie.
