Sebadoh - The Freed Man

Domino

Tom Wouters8 november 2008

The Freed Man

Cassettes. Hoeveel mensen zouden dit woord überhaupt nog kennen? In tegenstelling tot vinyl dat gestaag aan zijn comeback werkt, vinden steeds meer cassettebandjes hun weg naar tweedehandswinkels aller landen. En dan te weten dat cassettes het internet van de jaren tachtig waren.


Laat ons dat nader verklaren aan de hand van ‘The Freed Man’, een reissue van het eerste Sebadoh album uit ‘89, dat zijn weg vond naar onze brievenbus. Toen Lou Barlow -front- en zijman van een dergelijk groot aantal groepjes dat we bewondering hebben voor zij die als levensdoel hebben alles te verzamelen wat de man ooit heeft uitgebracht- nog een jongeman was, ontdekte hij de taperecorder. Het gevolg laat zich raden. In tijden dat er niet zoiets was als Myspace -heck zelfs de pc als huis-, tuin en keukenmiddel bestond nog niet- hield Barlow zich bezig met het opnemen van nummers. Een deel van die nummers staat op dit album, afgewisseld met nummers van ander Sebadoh-lid Eric Gaffney.

 
Omdat het om een reissue gaat, werden er een aantal bonustracks -voornamelijk van vroege ep’s- aan toegevoegd, zodat de plaat uiteindelijk tweeënvijftig (!) nummers telt, allemaal mooi op één schijfje. Het moge duidelijk zijn dat geen enkel nummer langer dan drie minuten duurt.
 
We zijn fan van de DIY-aanpak, die vooral begin jaren negentig furore maakte met bands als Sebadoh, Beat Happening en Beck. Muziek tot in de puntjes verzorgen zorgt veelal voor platte kak. Rauwe, primitieve en overstuurde nummers, badend in ’n zee van ruis, zo hebben we ze het liefst. Als liedjes in die oervorm overeind kunnen blijven, dan kan je spreken van essentiële schoonheid.
 
52 nummers dus, en geen enkele song die moet onderdoen. Voor lo-fi fetisjisten is ‘The Freed Man’ genieten. Vooral de tracks die door Barlow geschreven zijn, getuigen van een intrinsiek talent voor songschrijven. Enkele titels? Healthy Sick, Punch In The Nose, Fire of July en Jaundice, allemaal nummers die ook op Sentridoh albums tot de betere zouden behoren.
 
Wat we vooral waarderen aan releases als deze is het je ‘m en fous-gehalte, of zoals het in Crumbs als een mantra wordt herhaald: “Don’t let nobody control you”. Deze zelf opgezochte artistieke vrijheid zorgt ervoor dat je dit album als geheel wel in het vakje lo-fi kan stoppen, maar dat er voor de rest ook heel wat andere genres voorbijkomen. Wil je weten waar The Moldy Peaches de mosterd vandaan halen (Soulmate)?  Hou je van folk (Oak Street Raga)? Ben je een punkfan (een punkversie van Yellow Submarine)? Wil je weten wie de voorlopers van de grungebeweging waren (Bolder)? Luister naar ‘The Freed Man’.  Zelfs rapmuziek komt voorbij in Lou Rap: niet bijster geslaagd geven we toe maar wel lachen. Humor is dan ook een belangrijk onderdeel van dit soort muziek.
 
Leuk zijn ook de “field recordings”, waarbij Gaffney en Barlow met hun tapedeck op stap gaan om geluiden op te nemen. Die stukjes opname worden, zo lijkt het, willekeurig tussen de nummers geplakt. Die aanpak doet ons denken aan Daniel Johnston die op zijn eerste tapes ook nummers afwisselde met opnames van zijn roepende moeder.
 
In deze woelige jaren, waarin de platenverkoop jaar na jaar lijkt te dalen, is de lo-fi underground bezig aan een indrukwekkende (her)opgang, grotendeels dankzij het internet. Zij halen voor een groot deel hun mosterd bij bands als Sebadoh. Als we dus op het einde van Julienne twee jongens – Gaffney en Barlow? – horen zeggen: “Everybody should have their own band.” , kunnen we niet anders dan instemmend knikken.
← Terug naar overzicht