Sam Sparro - Sam Sparro
Island Records
Koen Van Dijck — 8 november 2008

“Damn, this white boy can sing”, was de eerste reactie van Chaka Khan toen ze Sam Sparro hoorde zingen in een gospelkoor. Eerlijk, toen we Black & Gold voor het eerst hoorden, hadden we ook niet kunnen vermoeden dat het hier om een Australische bleekscheet zou gaan. Zelf haalt hij niet alleen Prince en Curtis Mayfield aan als belangrijkste invloeden, maar ook Black Box, C&C Music Factory, Soul II Soul en Kraftwerk. Lang geleden dat we nog zo nieuwsgierig waren naar een nieuwe artiest.
Het was een sublieme, maar ook een evidente keuze om Black & Gold als eerste single van het album te kiezen. Niet alleen blazen de beats je tegen de muren, ook de krachtige soulstem van Sparro laat je met verwondering luisteren. Bovendien heeft Black & Gold een groot meezinggehalte. Een grote kans dus dat dit een dikke zomerhit wordt. Op ‘Sam Sparro’ tellen wij trouwens meer dan één hit, maar wie een elektrokraker verwacht komt bedrogen uit. Daarvoor heeft de man te veel funk, soul en kitsch in zich.
Op zijn website wordt 21st Century Life al als volgende single verklapt. Disco en house vliegen ons rond de oren. Denk aan Whirlpool Productions, maar dan gevatter. Denk aan Phats & Small, maar dan origineler en gewoonweg beter. Ook in Hot Mess speelt hij met dezelfde elementen terwijl The Jacksons en Prince geamuseerd toekijken. Bij momenten denken wij zelfs dat ze gewoon meedoen. Sparro legt er wel zo’n dikke laag kitsch op dat de echte funk en soul vaak verdrongen worden.
Veel serieuzer wordt het plots in Sick. Op eightiesachtige new wave wijze wordt het kwaad van de wereld bezongen en, indien de tekst hetzelfde niveau haalde, zouden we zweren dat het op ‘Some Great Reward’ van Depeche Mode stond. Nog meer diversiteit want plots stoten we op Waiting For Time waar Air en Outkast de soundtrack voor hadden kunnen schrijven. De tempowisselingen zorgen een enorme dynamiek en boosten dit nummer enorm de hoogte in. Op Recycle It en Cottonmouth trekt Sam Sparro weer voluit de kaart van funk en soul, terwijl Pocket en Cut Me Loose meer in de lijn van Black & Gold liggen.
Plezier en uitbundigheid genoeg op dit album, maar op het einde van de rit geloven we het toch niet allemaal voor de volle honderd procent. Omdat alles net iets te kitsch en ‘gay’ klinkt? We vragen ons af of Sam Sparro ooit naast zijn grote helden zal kunnen staan en welke richting hij zal inslaan bij het tweede album: meer discokitsch of het échte werk? Verder heeft hij het allemaal in zich en verstrooit het album ons moeiteloos. En ach, het is zomer, we schuiven het dak van onze auto open, hangen onze arm buiten en verleiden de meisjes met onze tandpastaglimlach voor een ritje. Heerlijk toch.
