Fence - Nobody Gives A Fuck

FONS

Johan Giglot — 16 oktober 2026

Nobody Gives A Fuck

Er zijn gelukkig nog zekerheden. Fence is er eentje van. We noteren ondertussen al dik drie decennia en zeven studioplaten dat de Limburgers ons verwennen met onversneden rockmuziek. In den beginne lekker melodieus en recht door de zee, maar gaandeweg meer en meer eigenwijs. Tot we nu op een geheel eigen terrein uitkomen van indie, psychedelische sixties en chaospop, die even goed klinkt dan botst. Alsof “niemand er een moer om geeft”.

Een valse blokfluit, folky samenzang uit de toon. Het lijkt wel of Fence er bij aanvang echt geen ene moer om geeft. Wat volgt, is heerlijke rockzooi en chaos. Lekker aangevuurd door nieuwe drummer Wim Coppers die u zou kunnen kennen uit nogal loodzware bandjes als Wiegedood of Oathbreaker. En die mag er duidelijk soms stevig op los meppen zoals in de door een hoekige gitaarriff aangedreven single Awakenings. Nu ja, “single”... Een van de hak op de tak wippende structuur, een noisy hutsepot van instrumenten en nerveus jengelend snaarwerk zullen niet meteen uw radiozender belasten, vrezen we.

‘Nobody Gives A Fuck’ is voor geen meter te doorgronden. Laat dat duidelijk zijn. Tenzij u een muziekpurist bent die alle elementen in pakweg Ween- of Pere Ubu-platen wenst te analyseren. Ergens in de brij komen Lotte Vanhamel (Vermin Twins) op klarinet, sax en dwarsfluit meespelen of begint Frederik Claes de viool en altviool aan te strijken. Check het heerlijk melancholische Limit Of The Sky. Daarnaast horen we zanger Niels Hendrix afwisselend zingen, croonen, bezweren of rappen, maar evengoed samen met vaste Fencers Meindert Leenders en Lieven Verdin in meerstemmigheid de luisteraar bezweren.

Gooi daar dan nog die heerlijke doe-het-zelf-rommeligheid doorheen en het idee dat Jan en Alleman mee in het repetitiekot mocht komen jammen en je zit weer helemaal bij Fence op de schoot. Oh ja, sommige liedjes snijden ook nog eens los door elkaar heen, kwestie van het noorden (en het zuiden) helemaal kwijt te raken.

Dit album jankt, klaagt, jengelt en zeurt op een lekker luidruchtige manier en laat des te meer zien dat Fence de eigen muzikale wetten heeft uitgevonden. Zekerheden hoef je niet te zoeken, tenzij dan dat je weet dat er niet zacht zal gefluisterd worden in een song als Whisper Softly. En net wanneer je denkt dat het niet gekker hoeft te worden, scoort de band met een eigen muziekorkest vol fluiten, sax en - tja, wat nog allemaal? - een eigen Yellow Submarine in een knotsgek The Good Trip.

De wereld gaat om zeep. Er zit een soort van psychedelische polymeren in het drinkwater van de Demer, als je even naar deze Fence luistert. En of het nu om studioplaat zeven, zeventien of zevenhonderd gaat, deze boys doen gewoon hun geschifte ding. Niemand geeft er om. Duidelijk! Of misschien toch wel. Want wij zijn wel fan van een zekere muzikale rebellie die eindigt in het eindeloos uitrekken van de We Are The Champions-riff alvorens het publiek in extase mag uitbarsten. Hallo? Publiek…?

← Terug naar overzicht