Wilco - The late greats

, 2 juli 2018

Wilco is één van die bands die erin geslaagd is op eigen houtje groot te worden zonder compromissen te sluiten. De band rond Jeff Tweedy heeft een devote aanhang. Ook de tweede avond in de Ancienne Belgique (ook nu weer uitverkocht) stond de zaal vol met enthousiaste fans. Velen leken er voor de tweede keer te zijn en om ons heen sprak zowat iedereen Engels. Dat het tweeluik in de AB de aftrap van het Europese luik van de ‘Schmilco’-tournee van de band was, zal daar vast iets mee te maken hebben. 

‘Schmilco’ kwam er nogal onverwacht amper een jaar na ‘Star Wars’ en is bij ons alleszins al een stuk dieper onder het vel gekropen dan de voorganger. We waren dan ook blij dat Tweedy ‘Schmilco’ volop in de spotlights zette (zeven nummers) ten nadele van ‘Star Wars’ (drie). De openingssong Normal American Kids, gebracht door enkel Tweedy en gitarist Nels Cline, bezorgde ons al meteen een krop in de keel. De angst om nooit normaal te worden gevonden, we herkenden het.

Dat Wilco een band is die met niemand te vergelijken valt, dat wisten de fans al. De occasionele of toevallige bezoeker kon dat al vaststellen bij Cry All Night, waarbij het opviel door wat voor topmuzikanten Tweedy zich anno 2016 omringt. Grote talenten zijn daarbij drummer Glenn Kotche die – très Wilco – altijd net datgene doet wat je niet verwacht, alsof hij zijn mede-bandleden van de wijs wil brengen. Ook knap om te zien was hoe Pat Sansone in de loop van de avond zowat alles heeft bespeeld: van keyboards en synths over percussie tot gitaar en vaak verschillende dingen tegelijkertijd. In Company In My Back zat hij zo gezellig achterover geleund op de banjo te tokkelen dat hij ons deed denken aan een typische Amerikaanse pruimtabak kauwende bejaarde, die tijdens het tokkelen zat te mijmeren over het voorbij gegane leven. Maar tokkelen kon hij.

Zeker ook te vermelden: Nels Cline, die vaak aan zijn gitaar zat te prutsen op plekken waarvan wij niet eens wisten dat dat kon en eigenhandig voor een climax zorgde in Impossible Germany (we zijn er nog niet uit of het nu hun Instant Street of hun Hotel California is). Het was ook hij die een droog “Oh, look at that” aan Tweedy ontlokte, toen hij voor Dawned On Me (die song met dat heerlijke gefluit) kwam opdraven met een gitaar met dubbele hals.

Die band dus liet ons na een set van twee uur waaruit ze uit hun hele backcatalogue hadden gepuurd – als we goed geteld hebben waren het achtentwintig nummers - verdwaasd achter. Het was al even geleden dat we nog eens zo’n knap optreden hadden gezien. Hoogtepunten waren even divers als veelvuldig. I Am Trying To Break Your Heart en Art Of Almost leidden ons door de vier seizoenen in een dikke tien minuten en Kamera was het bewijs dat Wilco, als ze willen, en tegendraads en dansbaar en funky tegelijkertijd kunnen klinken. Nog geen half uur ver en het eindejaarslijstje lonkte al.

Radio Cure, Misunderstood en Reservations van hun kant waren de nummers die ons deden huilen (wat wil je, met zinnetjes als “How can I convince you it's me I don’t like”), Happiness bracht ons een levensles bij (“Happiness depends on who you blame"), I’m The Man Who Loves You vermengde het beste van The Beatles met het beste van The Rolling Stones in één en hetzelfde nummer en de bescheiden ambities van Hummingbird (“His goal in life was to be an echo”) vertederden, ook al was het dan niet al vrolijkheid wat de klok sloeg in dat nummer. Natuurlijk niet.

Af en toe mocht er ook stevig gerockt worden, want ook die gedaante kan Wilco zich moeiteloos aanmeten. Pickled Ginger was voorbij voor we het goed en wel doorhadden, Locator zette de gitaarpedaaltjes aan het werk en oudjes uit het precies vandaag twintig jaar geleden uitgekomen ‘Being There’ als Outtaside (Outta Mind), I Got You (At The End Of The Century), dat een beetje aan Status Quo deed denken, en Red-Eyed And Blue scheurden door de bisnummers en kregen het perfecte gezelschap van Random Name Generator uit ‘Star Wars’.

Bleef nog over voor een tweede bisronde: Spiders (Kidsmoke), het nummer dat op zijn eentje zowat de hele avond samenvatte. Wilco was afwisselend zacht en luid, ingetogen en ongelukkig, heftig en strijdbaar. En soms dat allemaal tegelijkertijd.

Zeker het vermelden waard was de achtergrond waar de band in speelde. Op het podium was de illusie gecreëerd van een bos, dat naargelang de sfeer van de song, de belichting en de verbeelding van de toeschouwer, een zonnig dan wel duister bos in de lente of herfst kon zijn; een bos bij valavond waarbij het fijn treuren dan wel knuffelen met je lief was. Mooi vakmanschap en een extra sfeerfactor.

In The Late Greats zongen ze zelf “Can’t hear them on the radio” over de allergrootsten. Wel, ja...

29 oktober 2016
Geert Verheyen