The Cure Eigenzinnig feest

The Cure

Sonic City, Local Natives, Neil Halstead, Tourist Le MC, The Cure... het was zaterdag een drukke concertagenda. Met de kouder wordende herfst, die dezer dagen over België dwarrelt, kwam een overdosis nostalgie met The Cure niet ongelegen en kozen we voor het Sportpaleis. Dat we eenenvijftig weken geleden kaartjes voor dit concert aanschaften, speelde natuurlijk ook geen onbelangrijke rol.

Het Schotse The Twilight Sad mocht met een dikke knipoog naar de postpunkscene en naar de eightiessound van The Cure de zaal opwarmen. De band kreeg een royale drie kwartier om een nieuw publiek aan te boren en slaagde daar wel in. Intussen sijpelde het publiek van de drank- en eetstandjes in de wandelgangen - het had iets van een Annemie Turtelboom-fandag - de zaal binnen en zette iedereen zich schrap voor drie uur The Cure. Zo lang hield de band het uiteindelijk niet vol, maar met dertig songs op de setlist, die een oeuvre van bijna veertig jaar overspande, keerden we tevreden huiswaarts.

Acts met zo'n ancienniteit houden het doorgaans bij een netjes geëquilibreerde setlist waarmee een half jaar lang de wereld wordt rondgereisd. The Cure daarentegen houdt de spanning er graag in en laat elke avond een verse greep uit de catalogus op het publiek los. In Antwerpen leverde dat mooie verrassingen op (zoals het halve album 'The Head On The Door' uit 1985).

Helemaal vooraan zat Shake Dog Shake, niet meteen een opener die een voltallig Sportpaleis op sleeptouw kon nemen. De hele set was een pingpongspel tussen obscure, bijna vergeten hapjes uit onze jeugd (All I Want, Sinking) en obligate, maar zonder spatje sleet gebrachte klassiekers (In Between Days, Pictures Of You, Lovesong).

Tussen de songs stamelde Robert Smith af en toe een simpel 'thank you' of wauwelde hij glimlachend een paar woorden, die niemand begreep (hoorden we hem iets over Leonard Cohen zeggen?). Uiterst eigenzinnig eindigde het eerste deel met een staalhard One Hundred Years en de krankzinnige kakofonie van Give Me It.

De laatste drie platen - of de laatste twintig jaar - liet The Cure in de kast (en echt rouwig waren we daar niet om), maar toch smokkelde Smith twee nieuwe songs de bisreeksen binnen. It Can Never Be The Same was erg goed (aansluitend bij het 'Disintegration'- en 'Wish'-tijdperk), Step Into The Light blies ons dan weer iets minder van de sokken.

De populariteit van oudere songs kon je dan weer afmeten aan het aantal smartphoneschermpjes dat oplichtte. Hoeven we te zeggen dat de zaal in een zee van witte rechthoekjes werd herschapen tijdens A Forest? We hoorden de song al elvendertigduizend keer (en volgens het slimme internet speelde The Cure de song ook al meer dan duizend keer live), desalniettemin blijft het ontroerend goed en rillen we gewillig mee met de laatste basdreunen van Simon Gallup.

Na bijna twee uur op het podium, zo rond kwart over tien op een zaterdagavond, dacht Robert Smith luidop (It's) Never Enough en breide hij nog een feestelijke, derde bisreeks aan de set. The Lovecats kreeg een gezapige huiskamerversie mee (inclusief meezingmoment) en Lullaby en het funky Hot Hot Hot!!! trokken de slotceremonie definitief op gang. Friday I'm In Love (de draak die publieksfavoriet werd) en Boys Don't Cry (het enige nummer uit de jaren zeventig dat de setlist haalde) lokten eindelijk de balkons van de stoeltjes.

Na bijna tweeënhalf uur hing Robert Smith de gitaar aan de haak en danste zelf vrolijk de nacht in op de tonen van Close To Me en Why Can't I Be You. Dat de set de aangekondigde drie uur niet haalde, was niet erg. Het was mooi geweest.

Wachtend op de laatste metro (he, wanneer spelen ze Subway Song nog eens?) hoorden we in de cafés aan de overkant van de straat vooral tevreden veertigers (en een sporadische dertiger). Geen spijt van de keuze.


November 19, 2016
Christophe Demunter