Santana - Spannender op zijn twintigste

Sportpaleis, 22 juni 2018

Het gebeurt niet alle dagen dat je iemand op een podium kan zien staan die er bijna vijftig jaar geleden op Woodstock ook al bij was. Carlos Santana speelde daar destijds en voor hem betekende zijn set op Woodstock – ongeveer ten tijde van zijn debuutalbum – zijn grote doorbraak. Bijna vijftig jaar en vijfentwintig studioplaten later stond hij in het Sportpaleis en speelde hij een concert dat pas in de tweede helft op stoom raakte.

In de Woodstock-film die we als kind veel bekeken hebben, was Soul Sacrifice van Santana één van de bekendste fragmenten. Het was dan ook niet toevallig dat de set daarmee geopend werd terwijl op de achtergrond beelden uit die film geprojecteerd werden en waarbij we toch een speciale pluim willen overhandigen aan de congaspeler Paoli Mejias. In de eerste helft van het concert spuwde Santana hits, zonder een woord te wisselen met het publiek. Het ene nummer volgde het andere op: Evil Ways, Black Magic Woman, een te korte ode aan John Coltrane met A Love Supreme of Oye Como Va: het passeerde allemaal de revue, maar het liet het publiek Siberisch koud.

De eerste keer richtte Carlos Santana het woord tot zijn publiek met de vraag of ze Europa wilden horen, dan wel Samba Pa Ti. Zonder een antwoord af te wachten zette hij Samba Pa Ti in. Blij mee natuurlijk, maar elk concert zou eigenlijk sowieso beide nummers op de setlist moeten hebben staan, terwijl we nu al wisten dat we niet meer op Europa hoefden te rekenen. Samba Pa Ti was de eerste keer dat het tempo naar beneden gehaald werd en eerlijk: dat deed wel even deugd.

Het was pas halverwege het concert toen Santana het publiek aanmaande om recht te komen staan en te dansen en te springen dat er iets gebeurde. Ze zouden een nummer voor de eerste keer spelen (hij noemde het A Sin), maakte vooraf een kruisteken en plots begon de band beter te spelen. Strakker. Alsof er meer op het spel stond. Alsof de hele groep peppillen had geslikt. Er werd ingezet op interactie, het publiek werd aangemaand om in de handen te klappen en om mee te zingen, met resultaat.

Twee zangers had Carlos Santana ook meegebracht, één die op Seal leek (Ray Green) en één die op Ricky Martin leek (Andy Vargas). De Ricky Martin was de betere zanger van de twee, maar al bij al waren we van geen van beide echt onder de indruk. Daardoor maakten Maria Maria en Smooth – twee hits die eind jaren negentig uit de hemel kwamen vallen op een moment dat Santana al meer dan tien jaar geen hit meer had gehad – niet de indruk die ze hadden kunnen maken.

Beter werd het concert als de band zich gewoon overgaf aan wat spelen en jammen. Foo Foo was daarvan een uitstekend voorbeeld, net als het schitterende lange Toussaint L’ouverture

Er stond een legende op het podium, zoveel is zeker. Alleen hadden we niet altijd dat gevoel. Dat lag aan een combinatie van factoren: een mak publiek, een band die er niet altijd écht leek voor te gaan en een groot deel van het concert op automatische piloot leek af te werken en een matige interactie tussen de twee. Maar ook wel aan die meestergitarist die zichzelf iets te vaak overgaf aan dezelfde trucjes en daardoor regelmatig in herhaling viel terwijl we weten dat hij meer en beter kan.

Er zaten echt knappe momenten in dit concert, maar het waren er te weinig. Santana in zijn jonge twintiger jaren moet toch iets spannender geweest zijn dan Santana op zijn zeventigste. 

Dit verslag verscheen ook op Newsmonkey.be

23 juni 2018
Geert Verheyen