Graspop Metal Meeting 2017 Graspopzondag: Helse muziek én temperaturen

Festivalpark "De Boeretang", 18 juni 2017
Graspop Metal Meeting 2017

Mooie liedjes duren niet lang, behalve Opeths Deliverance dan. Het was in elk geval weer zondag voor we er besef van hadden. Een zondag die zich liet aankondigen als extreem warm. Gelukkig konden we in de beschutting van de Marquee en de Metal Dome weer veel goeie muziek checken.

De eerste afspraak van de dag was rond de klok van twee aan de zonovergoten Main 2. Het opvallend talrijk opgekomen publiek kreunde al onder de loden hitte, maar alle zorgen waren vergeten eens Alestorm Keelhauled inzette. Het publiek waande zich even in de Caraïben en zette zich op slag aan een potje roeien. Voor het nieuwe Fucked With An Anchor, nu al door iedereen meegekeeld, kregen we een snelcursus vloeken en ook de versie van Taio Cruz' Hangover – met medewerking van een crewlid op akoestische gitaar en een wel heel fout uitziende rapper – kon op veel enthousiasme vanuit het publiek rekenen. Afsluiter Captain Morgan's Revenge gaf dan weer aanleiding tot een reusachtige wall of death.

Same old same old, zou je kunnen stellen, maar het moet gezegd dat frontman Christopher Bowes en zijn bende gekke piraten nog nooit zo goed hebben geklonken. Pret heeft altijd voorop gestaan, maar waar vroeger al eens een valse noot of gemiste toonladder weerklonk, was er ditmaal amper iets aan te merken op de performance.

Uit Australië komt echt nog wel meer dan AC/DC. Airbourne is bijvoorbeeld zo’n band, die in het kielzog van die andere Aussies surft. En dat bedoelen we echt wel op meer dan één manier. Ook de riffs en de podiumact verwijzen, zonder een kopie te zijn, naar die andere groep van down under.

Leadzanger en guitarist Joel O’Keeffe is daarbij voortrekker. Hij weet hoe een publiek te bespelen, zelfs al is dat op zo’n ongoddelijk (past die term hier wel?) uur als toen Airbourne de wei werd ingestuurd. Hij jutte de toeschouwers op, gooide de ene na de andere solo de arena in en deed een rondje tussen het publiek op de schouders van een als kangoeroe verklede roadie, daarbij een blikje bier stuk kloppend op zijn voorhoofd. De rest van de band viel hem daarin graag bij en gezamenlijk brachten ze in Bottom Of The Well een ode aan de onsterfelijke Status Quo-move.

Ook aan het publiek zal het niet gelegen hebben. Zij waren eveneens bereid om al vroeg op de middag een feestje te bouwen. Een circle pit mocht niet ontbreken en om de biertjes, die de wei werden ingegooid door de band, werd net niet gevochten. De daarbij passende muziek luisterde naar voorspelbare titels als Ready To Rock en Live It Up, was misschien niet echt origineel, maar ging er desondanks bij zowat iedereen vlot in.

Na al die zweterige toestanden in de zon, was het tijd om de Marquee op te zoeken. De Noren van KvelerTak zijn in volle opmars en hebben het intussen al tot opening act van Metallica geschopt. Op Graspop doken ze nog maar voor het eerst sinds 2011 op. Met Dendrofil For Yggdrasil en 1985 lieten ze meteen een portie ‘Nattesferd’ op de meute los. Hoewel de Marquee direct dolenthousiast reageerde, kookte het potje pas helemaal over bij het volgende Mjød. Gitarist Bjarte Lund Rolland trok intussen meermaals richting technieker omwille van één of ander soundprobleem.

Stilstaan was met deze bende razende Noren geen optie en er werd dan ook opnieuw een vijftigtal minuten lang enthousiast gemosht. Met afsluiter KvelertTak wisten ze de laatste twijfelaars te overtuigen om in november zeker op tijd af te komen voor het Metallicaconcert in het Sportpaleis.

Bij het Zweedse Graveyard ging het er nadien een heel stuk kalmer aan toe in diezelfde Marquee. We mogen uiteraard al van geluk spreken dat het viertal rond zanger-gitarist Joakim Nilsson nog eens in Dessel is geraakt. Vorig jaar was er immers plots die breakup, gevolgd door het nieuws dat ze toch terug zouden gaan optreden. Bijna hadden we Nilssons bezwerende stemgeluid dus nooit meer live gehoord en dat ware heel jammer geweest.

Instrumentaal zijn de retrobluesrockers immers weinig nieuws onder de zon, maar wat een strotklep heeft die man. Het kiezen tussen Graveyard en Mastodon was weinig evident, maar eens je naar afsluiter Uncomfortably Numb stond te luisteren, had je er wel vrede mee.

Voor Mastodon zal Graspop wel altijd iets speciaals blijven, want zoals drummer en (één van de) zanger(s) Brann Dailor na het concert aangaf, was dit één van de eerste grote festivals, die hen ooit boekten. En de band was meer dan bereid om daar iets tegenover te stellen. De show, die het viertal uit de gitaren toverde, was dan ook even strak als de buikspieren van Floyd Mayweather. Alleen jammer dat enkel vlak voor het podium enige (re)actie van het publiek te merken was.

Mastodon, moet het, in tegenstelling tot (en met alle respect voor) een band als Airbourne, niet hebben van het feestgedruis dat soms voor een optreden doorgaat. Zij doen het enkel en alleen voor en met de muziek. En die muziek begon met een verschroeiend Sultan’s Curse, dat meteen aantoonde dat de songs uit het nieuwe album perfect aansluiten bij de rest van de catalogus. Wat die catalogus betreft, werd trouwens teruggegrepen naar echt ouder werk als Mother Puncher naast een loeihard Black Tongue of een betrekkelijk toegankelijk Show Yourself.

Het was hoe dan ook Mastodon zoals wij ze graag hebben. Kort op de bal en recht naar het rockershart.

In de Metal Dome is niet alleen plaats voor onbekend en onbemind talent. Het grote schoolvoorbeeld daarvan waren de metalveteranen van Queensrÿche. Met zo'n naam was het uiteraard al snel koppen lopen in het kleine tentje. Hoewel de voormalige band van zanger Geoff Tate al meedraait van 1981 en met 'Operation: Mindcrime' één van de beste conceptplaten in de muziekgeschiedenis op haar naam staan heeft, kwam Scott Rockenfield nog steeds zelf zijn drumstel soundchecken. Ook vreemd voor een band met zo'n verleden was het feit dat we tijdens opener Guardian weinig meer uit de mix konden ontwaren dan de bas van Eddie jackson. Die leek dat mankement te willen goedmaken door constant flesjes water het publiek in te keilen. Gelukkig was dat snel verholpen, want zanger Todd La Torre bleek werkelijk in topvorm te zitten, veel meer in elk geval dan twee jaar geleden op Alcatraz.

In sneltempo (vijftig minuten is echt te weinig voor een band met een dergelijke discografie) gingen ze de platen af, maar met kleppers als Operation: Mindcrime, The Mission, I Don't Believe In Love en de magistrale afsluiter Eyes Of A Stranger lag de focus uiteraard op het in 1988 verschenen, eerder genoemde magnum opus.

Ze leken een beetje buiten de lijnen van het festival te staan, Suicidal Tendencies, maar dat zou Mike Muir en zijn kornuiten worst wezen. Als vanouds huppelde de frontman van de gevierde crossoverband over het podium alsof hij net een afspraakje met Miss Universe had kunnen regelen. De typische bandana’s en de bijpassende muziek, waarin hiphop, metal, funk en punk worden versmolten tot een geheel, rondden het af. Met een ellenlang You Can’t Bring Me Down, dat wel drie keer werd opgerakeld, zette de band de toon voor een feestje van rondhoppen en meebrullen. En meteen bewezen ze hier niet eens te misstaan op een festival dat verder kijkt dan de eigen grenzen.

Om een uur te vullen heeft Opeth niet meer dan zes nummers nodig. De fans weten waaraan zich te verwachten; voor de nieuwkomers is het vaak moeilijk om volgen. De Zweden maken het de toevallige passanten dan ook niet gemakkelijk door voortdurend de luisteraar op de verkeerde voet te zetten, om de haverklap van tempo of invalshoek te wisselen en over te gaan van het ene genre naar het andere; en dat allemaal binnen één nummer.

Waar zanger, gitarist en songwriter Mikael Åkerfeldt in opener Sorceress nog zong, haalde hij voor opvolger Ghost Of Perdition ook zijn donkerste grunts boven, waardoor je de emoties, waar de song je doorheen sleurde, in enkele seconden helemaal voelde omslaan. Van progrock naar deathmetal in een oogopslag, hetgeen de fans altijd op de toppen van de tenen doet staan, maar hen ook tot de meest trouwe aanhangers maakt. Niet voor niets werd de titel van afsluiter Deliverance luidkeels uitgegild op een simpele voorzet van de frontman.

Ook van humor is de man niet gespeend. Dat bewees zijn speelse steek richting Scorpions en het feit dat hij met de grootste sérieux Era hun hoogsteigen “cockrock song” noemde. Het verlichtte de spanning van een concert, dat bij ons toch nog even zal nazinderen.

Temperaturen van meer dan dertig graden, maar Les Claypool stak wel strak in het pak en de alomtegenwoordige bolhoed mocht ook op Graspop niet ontbreken. Hoewel metal ongetwijfeld één van de ingrediënten van Primus is, blijft de band toch een buitenbeentje op dit festival, maar dat maakte de aanwezigen geen ene moer uit. Zij schudden de haren los (voor zover nog nodig) en gingen uit de bol op de hoekige structuren, volgden moeiteloos de onmogelijke bochten van de band en genoten ten volle.

En dan nog maakt de band het de fans niet eenvoudig. Jawel, Too Many Puppies ontbrak niet in de set, maar het tempo lag lager en tussendoor stak het drietal er een stuk van Hello Skinny in. En hoewel het olijke nooit ver weg was, lag er onder die humoristische aanpak steeds een grond van ernst. Voor Mr Krinkle haalde Claypool de staande bas en een varkensmasker boven, in aansluiting op de magistrale video voor de song, die op het scherm werd getoond, maar eigenlijk is het een aanklacht tegen de oppervlakkigheid van de moderne mens. Om maar te zeggen: er zit meer dan één laag aan Primus. En die humor kwam ook in de bindteksten naar boven, toen Claypool zich afvroeg waarom iedereen niet naar Scorpions aan het kijken was met de woorden: “You are in the wrong building”.Ondanks het feit dat het concert eerder routineus overkwam, was Primus een hoogtepunt.

De headliner luisterde op zondag naar de naam Scorpions, maar echt veel fans leken de Hannoverse oerhardrockers niet te hebben gemobiliseerd. Tot ver op de plastic matten waren lege plekken te vinden. De meesters van de powerballad lieten het niet aan het hart komen en werkten hun set enthousiast af. Zelfs het afgeleefde, intussen flinterdunne stemgeluid van zanger Klaus Meine leek de muzikanten amper te deren.

Geen wonder dat het instrumentale Coast To Coast opnieuw een vroeg hoogtepunt bleek te zijn. We zullen het dan maar zelf doen, dacht het publiek wellicht toen Meine deed alsof niet een sample maar wel degelijk hijzelf fluitend Wind Of Change in gang trok. Gelukkig beschikken de Duitsers naast topmuzikanten zoals gitarist Matthias Jabs en nu ook drummer Mikkey Dee over een enorm indrukwekkende backcatalogue om het grote publiek keer op keer mee te krijgen. Qua verrassing kon hun versie van Motörheads Overkill ook wel tellen. Hoeveel er op voorhand ook te doen was rond de komst van Scorpions als headliner, tegen encores Still Loving You en Rock You Like A Hurricane had het Graspoppubliek duidelijk vrede met de keuze.

Scorpions prediken de vrede, het contrast kon dan ook niet groter zijn met de band die nadien op Main 2 het festival mocht afsluiten. Ook voor Sabaton is Graspop speciaal. Zoals zanger Joakim Brodén zelf meermaals opmerkte, is zijn band door de jaren meegegroeid met het festival. De eerste keer stonden ze in de Marquee en dankten ze de hemel voor een plensbui die ervoor zorgde dat die tent toen goed volliep. Nu, tien jaar later weerklonken de woorden “We are Sabaton, we play heavy metal and this is Ghost Division!” over de hele weide.

Kleppers als The Art Of War en Attero Dominatus zaten vroeg in de set, want de band had halverwege wat plaats voorzien voor – zoals Brodén het zelf uitdrukte – “some unexpected shit”, zoals Panzerkampf en Screaming Eagles. Minder verrassend waren dan weer Swedish Pagans – opnieuw aangemoedigd door het publiek en zogezegd tegen de zin van Brodén zelf – en Carolus Rex met synchroon gitaargezwaai. Als encore brachten ze nog Primo Victoria, Shiroyama en dan toch nog het sterke To Hell And Back. De deemoedige tonen van Dead Soldier's Waltz kondigden vervolgens het einde aan van Graspop editie 2017. Eentje met opnieuw veel goede muziek en prachtig weer.


21 juni 2017
Nic De Schepper