Fuzz Club Festival
Dag 1 - Internationale klasse
Patrick Van Gestel — 1 mei 2026
Effenaar, Eindhoven — 1 mei 2026
Zelden een meer internationaal festival (misschien met uitzondering van BRDCST) meegemaakt dan deze editie van Fuzz Club Festival. Ierland, Portugal, Mexico, de VS, Japan, ze waren allemaal vertegenwoordigd in de Effenaar. En dan hebben we nog niet eens alles gezien. De leeftijd eist nu eenmaal zijn recht op. Maar van wat we gezien hebben, brengen we met veel enthousiasme verslag uit.

Het Ierse kwintet Pôt-Pot was de eerste band op ons lijstje en leek al meteen een schot in de roos. Dansbaar, gecontroleerd wild, repetitief en met een harmonium dat samen met bas en drums zorgde voor een constante, ondergrondse drone. De gitaar was dan weer het insect dat rond de lamp fladderde en zorgde voor soms funky, dan weer compleet over de top gaande prikkels, die over de in zware reverb gedrenkte zang werd uitgestreken. De lijm pakte en het geheel was echt aanstekelijk. Dit festival had veel slechter kunnen beginnen.
Stel je vooral niet te veel voor bij die bandnaam, want Sunflowers hadden eigenlijk beter “brandnetels” geheten. Het Portugese noisepunktrio was gekleed als wegenwerkers en had iets weg van Osees met een ritmische basis, een krasselende gitaar als ankerpunt en drie stemmen die te pas en te onpas bij elkaar invielen. Geen wonder dat na één nummer al één van de cimbalen op halfzeven hing. En even verder ging een microfoon ook het decor in. Rammelend aan alle kanten, alsof de boel elk moment uit elkaar zou springen, maar even gevaarlijk als een gifslang, die elk ogenblik kon toeslaan.
Op dit festival zijn er duidelijk geen grenzen, want met de volgende band waren we in Mexico aanbeland. Loretta & The Obsolete doen het dan ook nog eens in het Spaans. Maar de muziek is duidelijk op Angelsaksische leest geschoeid. Dan denken we aan eighties new wave met zware synths die de sound bepalen en bezwerende ritmes (Primal Scream ten tijde van 'XTRMNTR' worden vaak als referentie opgegeven). De gitaar mag meespelen, maar krijgt slechts een B-rol toebedeeld, hoewel ze bij uitzondering ook al eens de dans mag leiden. Zwoel dansbaar met die stem die op zachte, maar indringende wijze je zenuwuiteinden opzoekt. Dat de nummers vaak lang zijn (vijf songs in vijfenveertig minuten), draagt enkel maar bij tot de geladen sfeer.
Na drie bands, die elk op hun eigen manier de zinnen prikkelden, stelde de eerder klassiek opgebouwde, Amerikaanse psychrock van Strange Lot uit Austin, Texas enigszins teleur. Niet dat dit slecht was, het kon gewoon de concurrentie met de voorgaande bands niet aan. Daarvoor was het een ietsje te doordeweeks. Maar wie zijn rock graag iets meer binnen de lijntjes ziet kleuren, zal ongetwijfeld zijn gading vinden in deze band.
Dan toch liever het gezelschap dat zich noemde naar een streek in Duitsland, maar dan in het Japans. De naam Minami Deutsch is uiteraard geen toeval. De link met krautrock is immers overduidelijk, maar tegelijk zingt Kyotaro Miulain wel (gedeeltelijk) in het Japans en durven de structuren ook al wel eens uitdeinen richting postrock. In de Effenaar werd de start met Futsu Ni Ikirenai nog enigszins rustig gehouden, hoewel de solo in dat nummer al aankondigde dat er ook wel het nodige geweld verstopt zat onder die “Duitse” bergen. Dat bleek waarschijnlijk het meest in de twee instrumentals op de setlist, waarbij de eerste ons vooral aansprak, gekenmerkt als die werd door een weerkerend thema dat uiteindelijk explodeerde in een geweldige chaos alvorens terug te keren naar het begin. Dit was een geweldige show die de seventies en de krautrock in volle glorie doet heropleven.
Dat Glyders spelen wat ze spelen, heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat ze uit Chicago komen. De blues is immers moeilijk weg te denken uit de psychedelische rock van dit trio. En op die manier hebben ze het genre ook een eigen draai gegeven. Terwijl drummer Joe Seger de partijen bijna als een standbeeld afwerkt en bassiste Eliza Weber het aangezicht grotendeels verstopt achter een overdosis concentratie en bijgaande blonde haren, voert gitarist Joshua Condon het drietal langs de muziekgeschiedenis, daarbij ook nog even George Thorogood eer bewijzend in New Realm. En zo draait de muzikale wereld eeuwig rond. Maar ons hoor je alvast niet klagen.
Een dag als deze moet je met een klapper afsluiten. En dat woord mag je bij A Place To Bury Strangers echt wel letterlijk nemen. Want in de eerste dertig seconden van de show had Oliver Ackermann de gitaar al twee keer de lucht ingegooid en helemaal aan gruis geslagen. Hetgeen hem niet belette om nog met de versterkerkabel de snaren te bewerken om de vereiste noise te bereiken. En ook de tweede gitaar moest er uiteindelijk aan geloven, ook al bleef Ackermann onverstoorbaar verder spelen op het instrument, waarvan de onderkant van de body toen al ontbrak. Het typeert het optreden van deze band, die we eerder al omschreven als een op hol geslagen snelheidstrein, die niets op de weg ontziet. En hoewel de tijd voor elke band op dit festival beperkt werd, belette het dit drietal niet om doorheen het publiek de traditionele uitstap te maken en midden in de zaal de heisa verder te zetten. Ackermann stuurde de stem door een reeks vervormende effecten, terwijl bassist en drummer improviserend ondersteunden. Feit is wel dat geen enkele van de songs van deze band ooit op dezelfde manier weerklinkt, hetgeen een extra is bij dit soort optredens. Dit is absoluut leuk en opwindend, maar tegelijk ook bijzonder vermoeiend. Of zijn het toch weer de jaren, die ons parten spelen?
Hoe dan ook was deze eerste dag van Fuzz Club Festival uitermate geslaagd. Even op adem komen en dan gooien we het vege lijf terug in de strijd.

