Dranouter 2017 Oude Portugese besjes verrassen

Festivalweide Dranouter, 4 augustus 2017 - 6 augustus 2017
Dranouter 2017

Dag twee van Dranouter stond niet zo heel vet onderstreept in onze agenda, maar de dag zou een serieuze verrassing in petto houden en een paar gevestigde waarden bevestigden de verwachtingen. Al bij al een leuke festivaldag dus, al kwam hij traag op gang.

Tijdens een driedaags festival is doseren belangrijk om het vol te houden. Dus hielden we ons koest tot we een nachtegaal hoorden kwinkeleren. Wacht, dat klopt niet natuurlijk: het was Chantal Acda die ons om drie uur in de namiddag zachtjes wakker zong.

Gisteren sloten we dus af met een bende Nederlanders en vandaag startten we onze dag met een (halve) Nederlandse. Niet dat we plotseling orangisten zijn, maar Acda bracht recent haar beste werk uit en dat hadden we nog niet live gehoord.

Stergitarist Frisell was er niet bij, maar wel haar "vaste familie" zoals Acda haar band noemt. Samen brachten ze meer dan twee derde van 'Bounce Back' en het viel op hoe stevig dat nieuwe werk klonk met dat vleugje elektronica en die spannende drumoutro in de titeltrack, die toffe basriff in Our Memories en het van top top teen gespierde I Need You To Go.

Jammer genoeg deed de band, Acda incluis, haar ding op statische wijze en misten we de strijkers en andere fijngevoeligheden uit Acda's nummers. En er was ook veel afstand tussen band en publiek; letterlijk, maar ook in intermenselijk contact. We hebben Acda al beter gezien. Wellicht zat Jazz Middelheim nog in haar beige kleedje.

Dan maar naar de Kayam voor een flinke geut energie. Die moest komen van elf withemden en een rondborstige brulboei. Eliza Carthy & The Wayward Band is een gezelschap dat met muzikale genialiteit, vernieuwingsdrang en de nodige liters ale de Keltische folk in het thuisland naar de eenentwintigste eeuw katapulteerde en die in dezelfde moeite door koppelde aan tal van andere genres.

De Keltisch-blauwe oorlogskleuren op het gezicht liet er geen twijfel over bestaan: Carthy en haar witte leger waren op veroveringstocht. Met klassieke (folk-)instrumenten en een eenzame, elektrische gitaar, trok dit veelkoppige monster een geluidsmuur op, steviger dan die van Hadrianus.

Suggestieve bindteksten waren de schietgaten waaruit jigs, reels en tunes werden gelanceerd met af en toe een flard rock, cabaret en big band erbij. Maar hoe onderhoudend ook, het publiek liet zich maar met moeite aan boord trekken van het schip op jacht naar de Great Gray Back. De meesten genoten liever van de avondzon en/of deden zich tegoed aan het vele lekkers van de foodtrucks met de muziek als leuke bijkomstigheid.

En wij verkozen de intimiteit van de Clubtent waar de innemende Leyla McCalla meteen sterk aftrapte met het titelnummer van het laatste album ‘A Day For The Hunter, a Day For The Prey’ en ons dan meenam naar de Mississippidelta rond New Orleans en Baton Rouge.

Haar twee vaste begeleiders, violiste Free en echtgenoot Dan Tremblay, die haar begeleidde op banjo, gitaar en - jawel! - triangel ondersteunden McCalla op passende wijze terwijl zij cello en basbanjo speelde en haar liedjes bracht in het Frans, Engels, Creools en Haïtiaans.

De geëngageerde en poëzieminnende McCalla voorzag de songs van de nodige uitleg zodat ze een band smeedde met het publiek en dat meenam in haar gedachtewereld en naar haar jeugd. Niemand zong vandaag zo helder als McCalla en wist je zo mee te nemen naar plaatsen waar je nog nooit geweest was.

We waren dan ook verheugd te vernemen dat McCalla tussen het touren door al aan een volgende plaat werkte. ‘The Capitalist Blues’ komt volgend jaar uit en wij kregen al een paar songs te horen waaronder het atypische liefdesliedje Oh My Love en Money Is King, een aanklacht tegen de allesoverheersende macht van het geld met een knipoog naar Trump erin verwerkt.

McCalla sloot af met het lieflijke Fey-O en een paar opzwepende nummers zoals Peze Café en Bluerunner en het opgezweepte publiek sloeg zowaar aan het dansen. Het toverde een mooie glimlach op het gelaat van McCalla, die bedankte met de bis Rose Marie en het publiek zo aan het dansen hield. Dit was echt volksmuziek zoals we die hier wilden horen!

En dan was het tijd voor het verjaardagsfeestje van de rock-in-je-moerstaalpionier Raymond Van het Groenewoud. Die werd ingeleid door een instrumentale, licht folky versie van Joske, maar toonde zelf meteen zijn rockhart met Ochtendlied, een song waarin Raymond – zoals zo vaak – melancholie aan een dosis hoop koppelde.

Met Er Gaat Niets Boven Seks en klassieker Maria, Maria, Ik Hou Van Jou ging de ambiancemeter meteen in het rood. Maar Raymond is meer dan een ambiancemaker. Hij toonde zijn sarcastische en tegelijk gevoelige kant in Vrede Zal Heersen en Machu Pichu (Bij U Wil Ik Zijn) waarin de zevenenzestigjarige ook meteen bewees dat hij nog altijd de Eric Clapton van de Lage Landen is. Zijn gitaarsolo deed bijna net zoveel deugd als een vrijpartij.

Van het Groenewoud bewees dat ook in een pensioengerechtigde een kind kan zitten. Zo bracht hij tussen Aan De Meet en Vallen En Opstaan het kinderliedje Hansje Pansje Kevertje. En altijd weer was daar het zwakke geslacht. Twee Meisjes, zorgde voor zangkoren en kippenvel. De apotheose was voor het net veertigjarige Meisjes waarvoor de organisatie een leuke actie opzette: veertig meisjes van allerlei leeftijden, maten en gewichten mochten komen shaken met al wat ze hadden.

Het inspireerde zoon Leander nog tot de toegift Befkapoen, maar dat lieten wij gauw voor gezien. De tent, die Raymond in de steek liet tijdens de meest intieme en kwetsbare momenten, zal het wel gesmaakt hebben.

Wij trokken naar de kerk. Niet om te biechten, maar wel om het fenomeen Omiri bezig te zien. Vasco Ribeiro Casais ging in zijn eentje deze bevreemdende, maar opzwepende mis voor, in de rug gedekt door beelden van oude Portugese besjes en volksmuzikanten allerlei uit zijn vaderland.

Ribeiro Casais liet een vriend videobeelden maken van volksmuzikanten en oude mensen die volksliederen zongen. Hij bewerkte die beelden en de klank om ze in te passen in de songs die hij ermee maakte en waarop hij zelf cavaquinho (Portugese ukelele), mandoline, Nyckelharpa en Portugese doedelzak speelt.

Het klinkt vreemd en dat was het ook, maar luister naar ‘Baile Elcetrónico’, zijn album dat in april uitkwam, en begrijp hoe het publiek opveerde vanop de rieten kerkstoelen en het op een dansen zette en hoe Ribeiro Casais erin slaagde om de kerk in twee delen op te splitsen om elk deel een ander ritme te laten klappen.

De knotsgekke visuals toverden meermaals een brede lach op de gezichten. Door de beelden te bewerken, liet Ribeiro Casais de oude besjes ritmisch met de armen zwaaien en/ of bezemsteelgitaar spelen. Dit zal zonder twijfel de show zijn die ons het meeste blijft van het hele weekend.

Toch een beetje fronsrimpels bij de rest van de programmatie. Bazart stond na Warhaus gepland in de grote tent. En dit terwijl honderden kinderen onder een fleecen dekentje lagen te wachten op de eerste en de muziek van de tweede ruikt naar de wijn van gisteravond en de peuken in de asbak. Ons niet gelaten. Dan konden we een keertje vroeger naar bed. Zei een wijs man niet eens dat “doseren belangrijk is op een meerdaags festival”?

Warhaus dus, de liefdesbaby van Maarten Devolderen en Sylvie Kreusch, verwekt tussen de bevlekte lakens van een kajuit op een binnenschip en eentje dat nog geregeld nieuwe goudklompjes uitkakt. Ook vanavond kregen we een nieuwe song voorgeschoteld. Zo blijft het lekker spannend.

Maar was dat waarop het Dranouterpubliek stond te wachten? Aan de eerder lauwe reacties en de vele geeuwmonden rondom ons te zien niet echt. We stonden dan ook niet tussen de eerste rijen, maar toch dicht genoeg om Kreusch te zien kronkelen in de gouden glitterjurk die ze van Max Colombie geleend leek te hebben.

Hoogtepunten genoeg; van The Good Lie over Machinery en het solo gebrachte Memory tot het psychedelische I’m Not Him en uitsmijters Mad World en Bruxelles. Voor hetzelfde decor als op Rock Werchter speelden Jasper Maekelberg en Michiel Balcaen allerminst tweede viool. Zij waren het die de twee protagonisten begeleidden met geflipte melodica, jagende gitaren en jazzy drumpartijen wat op Here I Stand tot een apocalyptisch hoogtepunt leidde.

Geen Love Is A Stranger, wat er op wees dat Devoldere en bende lekker eigenwijs hun eigen ding deden en het gezelschap opzochten van hun mister Hyde. De band nam met Control meteen zelf de teugels in handen en gaf die niet meer af. “You want teasers? Well, I’m not him”, zong Devoldere naar het einde toe en dus zochten hij en de zijnen onder gemuteerd trompetgeschal weer koppig hun weg langs de donkere, vochtige stegen van een grootstad bij nacht. Onnodig te stellen dat Dranouter hiervoor niet het ideale decor was, maar wij waren toch nog maar eens onder de indruk.


6 augustus 2017
Marc Alenus