Couleur Caf
Oude grootheden naast jonge godheden op Couleur Café
Lander Lenaerts
Tour&Taxis, Brussel — 8 november 2008
Ondanks regen en een brand op het festivalterrein is Couleur Café er toch in geslaagd om ook dit jaar het meest zonnige festival van Vlaanderen te zijn. Een zeer goede organisatie en een fantastische sfeer zorgden ervoor dat het minder goede programma werd opgevangen.
Al achttien edities lang is Couleur Café het synoniem voor een multicultureel muziekfeest. De organisatie probeert de laatste jaren een groot publiek aan te trekken en profileert zich ook als een gezinsfestival. Op de affiche prijken daarom de laatste jaren oude grootheden naast jong talent en alles wat op het moment ‘hot’ is. Toch weet de organisatie ook heel wat Brusselse jongeren aan te trekken door (plaatselijke) alternatieve bands te programmeren.
Sanseverino, die op vrijdag de aftrap gaf, is een artiest die alles van de voorgaande beschrijvingen in zich heeft en voor honderd procent op Couleur Café thuishoort. Zijn stijl wordt overal als ‘Bohémian jazz’ omschreven, maar dat is niet meteen waar je aan denkt als je de man ziet optreden. De zanger/gitarist laat zich sinds zijn jongste album door een big band omringen, kleedt zich extravagant en is een podiumbeest. Na twee nummers had hij al drie gitaren, een banjo én een trombone bespeeld. Tijdens zijn snelle songs stroomde enorm veel energie de middelgrote tent binnen. Zijn kalmere, poëtische liedjes beschrijven zeer eenvoudig de dingen des levens en zouden niet misstaan in een theaterzaal. Denk aan Kommil Foo in het Parijs van de jaren veertig.
Minder energiek, maar zeker even terecht op Couleur Café was Manu Dibango. Hij vierde op Couleur Café zijn vijftigjarige carrière, die begon in Europese jazzclubs en een hoogtepunt kende met zijn grote hit Soul Makossa. Dibango is vooral bekend als saxofonist, maar bespeelde op het podium ook onder andere de vibrafoon. Zijn optreden was een goede weerspiegeling van zijn carrière: (te) toegankelijke en vrolijke melodieën werden afgewisseld met het diepere en ruwere werk en het was – net zoals in zijn carrière – in dat laatste waarin wij Dibango liefst bezig horen. Afsluiten deed hij uiteraard met een lichtjes modernere versie van Soul Makossa, een nummer dat een funkbeat versmelt met jazzmelodieën en zweverige Afrikaanse stemmen.
Veel volk was er op de been voor het optreden van R&B-ster Kelis. Zij werd begeleid door een kleine band, maar we betrapten de drummer erop niet alle geluiden die we hoorden zelf te spelen en af en toe klonk ook de stem van een onzichtbare achtergrondzangeres door. Toch wist Kelis maar al te goed hoe ze de overvolle Univers-tent in beweging kon krijgen. Het hoogtepunt van het optreden was het bisnummer Trick Me, de R&B-hit die door de drum op de tegenmaat enorm aanstekelijk werkt. Kelis’ muziek spreekt weinig tot de verbeelding van de muziekliefhebber, klinkt vaak eenvoudig en is verre van tijdloos, maar de dame slaagt er wel in om geloofwaardig over te komen. Ze zag eruit als een punkster en de elektrische gitaren lieten je even geloven dat ze in een identiteitscrisis zat, en net daardoor weet je het zeker: you just don’t want to mess with Kelis. Maar hoe stout het er allemaal uitzag, zo braaf was het op muzikaal vlak.
Helemaal omgekeerd was het op zaterdag bij Slang. In alle eerlijkheid en zonder scrupules zoekt dit Brusselse jazztrio naar de grenzen van de muziek. En dat doen ze erg goed. Ze slagen erin om een zeer unieke sound voort te brengen die je moeilijk nog crossover kunt noemen. Inspiratie vinden ze in de experimentele jazz, dub, funk en nog veel meer genres, maar ze doen vooral hun eigen ding. Het trio kwam bij Couleur Café terecht via het Wanted!-project, waarbij groepen een dossier kunnen indienen om een plaatsje op het festival te krijgen, en zat net in het midden van een zeer stevige show toen plots naast de tent een aantal brandweerwagens voorbij reed.
Op dat moment stegen vanuit een van de oude opslagplaatsen van Thurn & Taxis grijze rookpluimen op die al snel veranderden in een dikke, zwarte rookwolk. Even later sloegen ook de eerste vlammen uit het dak. Daarop beslisten de organisatoren om de zowat 20.000 aanwezige festivalgangers te evacueren. De evacuatie verliep snel en vlekkeloos en het vuur was snel onder controle. Toch duurde het een paar uur voor de poorten van de site weer opengingen.
Ze had iets engelachtigs en de grote glimlach op haar gezicht had maar een seconde nodig om ons gelukkig te maken – Ayo betekent dan ook niet voor niets ‘geluk’ in de Yoruba-taal. De Nigeriaanse muzikante is 27, klinkt alsof ze 18 is en schrijft teksten als iemand met enorm veel levenservaring. Muzikaal is ze zeer braaf, maar de muziek dient dan ook vooral als begeleiding van haar zachte, lieve stem. Ayo maakt zonnige folk met soul- en reggae-invloeden. De optimistische versie van Tracy Chapman, zo u wilt. Erg leuk was het nummer over de relaties, en vooral de verschillen, tussen jongens en meisjes. Via een interactief trucje met de band en het publiek toonde ze naast een goede zangeres ook een goede performer te zijn. Spijtig dat haar stem niet meewilde (de jongedame herstelt van de griep, vertelde ze ons), maar dan waren daar de festivalgangers die de op een reggaerifje deinende radiohit Down on my Knees meezongen als was het een alom bekende evergreen.
Je moet het lef er maar voor hebben, om in je groepsnaam al te vertellen dat je legendarisch bent. Eerst zien en dan geloven, zegt een oude wijsheid ons. Maar we kenden The Legendary Roots natuurlijk al langer als de hiphopgroep die door de jaren een – inderdaad – legendarische status verwierf. De groep zette de poorten naar de onsterfelijkheid open voor de levende drumcomputer Rahzel en dj ?uestlove, wereldwijd een van de meest gerespecteerde hiphopdj’s. En als je op Couleur Café The Roots hebt gezien, weet je dat je ze legendarisch mag noemen. De show zat erg strak in elkaar en liep voorbij als een sneltrein op xtc. Vooral opmerkelijk aan het optreden was de liveband, voor het hiphopgenre nog steeds een uitzondering. Met ?uestlove achter de drums, een hyperkinetische bastubaspeler en een zeer goede toetsenist had de MC de beste begeleiding die hij zich kon inbeelden. Het optreden zat vol knipogen naar klassiekers uit de hiphopcultuur (passeerden de revue: Rapper’s Delight, Shimmy Shimmy Ya en M.E.T.H.O.D. Man, maar evengoed ook Apache) en was een stomende set die evenveel funk als hiphop bevatte. The Roots hebben alles in zich om het klassieke beeld van lome en technisch slecht gebrachte hiphopshows te ontkrachten.
Ter illustratie: het optreden van Sean Paul, een uurtje later in dezelfde tent. Waar vorig jaar nog legendes als James Brown en George Clinton op de planken stonden, stond deze keer de opperclown van de dancehall himself geprogrammeerd. Goed, de man heeft een aantal hitjes gescoord en verdient ongetwijfeld zijn brood en bling bling, maar je vraagt je af of dat wel terecht is. Zijn optreden was smakeloos, technisch het slechtste van drie dagen Couleur Café en eigenlijk gewoonweg saai. Elk nummer werd minstens een keer onderbroken voor een oerkreet van een van de homeboys die bij Sean Paul op de planken stond: “Belgium, how ya feelin’”, “Where are all the ladies at” of “Belgium, make some noise” (schrappen wat niet past). Sean Paul kon live niet zingen en zowel zijn backing band als achtergrondstemmen vervulden hun rol niet voldoende. Tussen de nummers door vertolkte Sean wel de allerbeste Ali G-imitatie die je je kunt indenken, maar het was eerder pijnlijk dan hilarisch te noemen. Toen de man aankondigde dat hij een nieuw nummer ging spelen overheerste er een gevoel van nieuwsgierigheid dat even snel als het gekomen was weer vervangen werd door grote teleurstelling. Het nummer wás nieuw, maar eigenlijk heeft iedereen het al gehoord. Een spijtige afsluiter van een geslaagd festival.
