Cass McCombs, The Hobknobs

Superset

Patrick Van Gestel
Trix, Borgerhout9 juni 2026

Terwijl vijftig meter verder de molens draaiden en de suikerspinnen werden verorberd, terwijl een verdieping lager The Story So Far (Pardon? THE STORY SO FAR!) de grote zaal vulde, moest Cass McCombs het met de Bar van Trix doen. Niet dat het ons wat kon schelen. Hij had op de vogelmarkt mogen staan, dan nog waren we opgedaagd.

Cass McCombs, The Hobknobs

Maar eerst waren er The Hobknobs, een rammelpoptrio met in de rangen Arie Van Vliet (ex-Lewsberg) en Yaël Dekker (Ex-The Klittens). Percussie was er in de vorm van cassettebandjes, die plichtsbewust na (bijna) elke song werden gewisseld. Hij, lange slungel met gitaar, en zij, twee koppen kleiner, maar fijn bestnaard, hadden ook nog een bassiste bij zich, die duidelijk beter aardde met de gitaar omgegord dan met dat instrument. Waar zijn stem iets weg had van de bijna-parlando van Bill Callahan, bood zij fijner vocaal weerwerk. Ons deed het een beetje denken aan The Burning Hell, maar dan zonder de humor. Maar dat nam niet weg dat dit als opwarmer echt wel de moeite was. De moeite zelfs om ernaar op zoek te gaan.

Dat Cass McCombs nog steeds geen stadions vult, verwondert niet. Het ontbreekt hem aan epische songs en het bijhorende charisma heeft hij al evenmin. Maar dat neemt niet weg dat hij inmiddels een hele collectie prachtige liedjes bij elkaar schreef, waarvan er ook op de meest recente langspeler, 'Interior Live Oak' een heel deel staan. Daaruit werden er tien van de zestien voor deze set gehaald. En verder viste hij ook rijkelijk uit de rest van zijn discografie.

Dat net Priestess de kerkdienst mocht openen, stond eigenlijk in de sterren geschreven. Het is immers ook het eerste nummer van de eerder genoemde plaat. Meteen werd al duidelijk dat dit een show zou worden, die nog meer dan anders rond de gitaren zou draaien. En dat gevoel groeide alleen maar met een stevig Miss Mabee en een nog krachtiger Asphodel. Alsof de band daarna even op adem moest komen, zorgde A Girl Named Dogie (inclusief jodels) voor enige rust, die met Home At Last en een geweldig, drumloos Missionary Bell werd afgetopt.

Maar daarna werd het tempo opnieuw opgeschroefd met Peace, waarna de toetsen een beetje verloren liepen in de power van Juvenile, dat met het (scheidsrechters)fluitje van drummer Austin Vaughn een subtiel extraatje meekreeg. Voor I Never Dream About Trains werd de piano nog één keer ingezet, waarna die in de coulissen verdween en koning gitaar zijn rijk opnieuw innam.

Dat was dan met een prachtig en uiterst bluesy Big Wheel. Uit 'Mangy Love' kwamen het onvermijdelijke Bum Bum Bum en het stevig rockende, bijna noisy Medusa's Outhouse, waarin het slangenhaar van de mythologische figuur zo je oren in kronkelde. Even leek die song uit te pieteren, maar dat bleek te voorbarig, want al feedbackend werd het nummer verdergezet in een al even magistraal Sleeping Volcanoes ("Help me, Armageddon").

In de bisronde werd nogmaals gas teruggenomen met County Line, voordat Bobby King Of Boys Town ons mocht uitwuiven. En hoewel we het zelf misschien anders hadden aangepakt en de grootse songs voor de bisronde hadden gehouden, konden we niet anders dan uitermate tevreden zijn met een set, die ons geen seconde had verveeld en die we meteen opnieuw hadden willen horen.

← Terug naar overzicht