Boombox
Soundscapes op film en Rilatinetekorten
Sanne De Troyer
NTGent Minnemeers, Gent — 8 november 2008
In plaats van Boomtown zijn ze in Gent zo inventief geweest om tijdens de Gentse Feesten met BoomBox op de proppen te komen. Bijna hetzelfde concept, behalve dat het deze keer binnen te doen is én betalend, zij het tegen een milde prijs. En dus konden we naar Minnemeers afzakken voor een avond vol ontregeld muzikaal geweld.
The Germans speelden een thuismatch en, om maar meteen met de deur in huis te vallen: ze hebben al in betere kwaliteit op een podium gestaan. Toch valt het niet te ontkennen dat ze ons in het begin recht in ons gezicht troffen. Witch is dan ook een behoorlijk vuil en vettig nummer en nu al onze favoriete opener. Maar nadien gaven ze het gevoel dat het allemaal wat snel moest gaan. Het grootste deel van hun set klonk behoorlijk onaf.
Toch nog een eervolle vermelding voor de puike gastrollen van die dreunende mokerslagen op de bassdrum en de bezwerende stemmetjes van zanger Jacob Ampe. Andere hoogtepunten? Lalaliar stak er gevaarlijk bovenuit, omdat het zo puur en rauw gespeeld werd dat we er schrilk van kregen, en Carolife Daisy bewees dat pop niet per se flauw en übervrolijk moet klinken.
Waar The Germans er nog snel vanaf leken te komen, besloot Motek alles uitgesponnen te laten klinken. Zo gaat dat nu eenmaal met post-rock. Motek heet een audiovisuele band te zijn. Wat een mens zich daar in godsnaam bij moet voorstellen? Wel, dat zagen we op BoomBox, en we zagen dat het goed was. De heren houden blijkbaar van het in elkaar knutselen van filmpjes die passen op het ritme van elk nummer. Zo passeerden ons een ietwat vreemde dame die zowat de muren opliep, een gezellig brandend haardvuur en een creepy uitziende kermis.
Al die beelden liepen mooi samen met de langgerekte soundscapes van de heren en dat was fijn. Een bende post-rockers statisch op een podium zien staan is immers niet altijd even boeiend. Daarbovenop konden ze ook muzikaal bekoren. En is dat niet het voornaamste?
Al die beelden liepen mooi samen met de langgerekte soundscapes van de heren en dat was fijn. Een bende post-rockers statisch op een podium zien staan is immers niet altijd even boeiend. Daarbovenop konden ze ook muzikaal bekoren. En is dat niet het voornaamste?
Maybe I’ll go home was meteen goed voor zo’n acht minuten wegdromerij en tijdens Tryer kwam er een lach op ons gezicht bij het zien van een kartonnen bordje met daarop de volgende tekst “Ken, Marry me! You wouldn’t expect this, Huh!” waarop de drummer – de Ken in kwestie - toch wel even uit zijn zentoestand geslingerd werd. Om te bewijzen dat het geen eendagsvliegen zijn, kregen we ook nog iets uit de oude doos. I’m Your Son deed ons afvragen waarom dit gezelschap niet sneller doorgebroken is.
Elk uur een nieuwe band is het motto van BoomBox en daarmee stond iets later Future of the Left al in vol ornaat op het podium van Minnemeers. Het komt tegenwoordig niet vaak voor dat een groep van de andere kant van het kanaal, Wales meerbepaald, eens niet met Britpop komt aandraven. Het ietwat ruig uitziende trio van Future of the Left is zo’n uitzondering. Twee derden van de band speelde vroeger nog bij het ter ziele gegane Mclusky.
Geen idee of er net zoals het ‘Mcluskyism’ ook een soort filosofie à la het linkse futurisme bestaat.
Wat wel zeker is, is dat ze het niet zo hoog op hebben met republikeins Amerika. “Colin is a pussy, a very pretty pussy” schreeuwden ze tijdens Manchasm, bedoeld om af te leveren aan het adres van Colin Powell. Een andere pechvogel die avond was de bassist. Al bij het tweede nummer begaf ’s mans versterker het, iets wat na veel zenuwachtig gepruts en verontschuldigingen uiteindelijk verholpen werd. Met de sussende woorden van zanger Falco “you don’t need to be afraid my friend” vloog het drietal in zijn set en dat werd bij sommige mensen in het publiek ook letterlijk genomen.
Wat wel zeker is, is dat ze het niet zo hoog op hebben met republikeins Amerika. “Colin is a pussy, a very pretty pussy” schreeuwden ze tijdens Manchasm, bedoeld om af te leveren aan het adres van Colin Powell. Een andere pechvogel die avond was de bassist. Al bij het tweede nummer begaf ’s mans versterker het, iets wat na veel zenuwachtig gepruts en verontschuldigingen uiteindelijk verholpen werd. Met de sussende woorden van zanger Falco “you don’t need to be afraid my friend” vloog het drietal in zijn set en dat werd bij sommige mensen in het publiek ook letterlijk genomen.
En toen was daar veel te snel het einde, al kwam het wel in schoonheid. De bassist zorgde eigenhandig voor zijn gloriemoment door zomaar eventjes het publiek in te springen, daar enkele opmerkelijke solo’s op ons af te vuren terwijl we letterlijk op de man zijn vingers stonden te kijken en door nadien nog eens leuk boven zijn bassgitaar te hangen pompen, alsof het zweet nog niet genoeg van hem af droop. Vreemd volkje, die Welshmen, maar ze mogen wat ons betreft nog eens terugkomen.
