Michel Bisceglia

Het is een verhaal van samen groeien, op ons eigen tempo.

Steven Verhamme10 mei 2026

Dertig jaar lang dezelfde muzikale chemie, dat is in de jazz geen evidentie. Toch is het precies wat Michel Bisceglia met zijn trio heeft opgebouwd: een hechte band die zich vertaalt in een herkenbare, verfijnde sound. Als pianist, componist en arrangeur werkte hij samen met een indrukwekkende lijst artiesten en projecten, van Belpop-iconen tot internationale producties.

Het is een verhaal van samen groeien, op ons eigen tempo.

Met de release van het nieuwe album 'The Virgo' en de bijhorende '30 Years Anniversary'-Tour blikt Bisceglia niet alleen terug op een rijke carrière, maar kijkt hij ook vooruit.

Wat is volgens jou het geheim achter die lange muzikale samenwerking?

Michel Bisceglia: Ik heb het altijd gekoesterd, nooit uitgemolken en zeker niet kapot gespeeld. Dat zijn voor mij de drie kernwoorden die verklaren waarom het trio vandaag nog altijd bestaat. Het verhaal begint in de vroege jaren negentig, toen ik samen met Werner Lauscher en Marc Lehan in de band "Scetches" speelde. We traden zeer vaak op, vooral in Duitsland. Na ongeveer vijf jaar merkte je dat het einde van die groep nabij was. Met Werner en Marc had ik altijd een goed gevoel, dus heb ik hen later opnieuw samengebracht.

Alleen wist ik toen heel duidelijk dat ik het anders wilde aanpakken. Ik wilde niet nog eens in die val trappen van te veel te doen. Met het trio heb ik er bewust voor gekozen om tijd te nemen en ruimte te laten tussen projecten om het geheel te laten ademen. Dat was ook mogelijk omdat ik ondertussen met heel veel andere dingen bezig was als componist en arrangeur, waardoor het trio nooit een routine werd, maar iets waar ik telkens opnieuw naar kon terugkeren. Die aanpak heeft ervoor gezorgd dat we dertig jaar later nog altijd met veel goesting samenspelen. We zien elkaar nog altijd graag, dat voel je ook in de muziek. Het is geen verhaal van sleet, maar van groeien, samen op ons eigen tempo.

Hoe zou je de evolutie van het trio beschrijven tussen jullie eerste concert in 1996 en vandaag, in 2026?

We zijn nog altijd dezelfde mensen, maar we kennen elkaar intussen tot in de diepste vezels. Bij elke muzikant heb je sterke kanten en ook beperkingen, dat is gewoon zo. Alleen is net die beperking in ons geval iets geworden wat onze schoonheid uitmaakt. Het heeft onze muziek iets heel organisch en authentieks gegeven. Je ziet hoe Marc speelt, dat is echt bijzonder, het is bijna een wereld op zich. Dat moet je kunnen omarmen, daar een plaats aan geven. Mensen nemen zoals ze zijn, in plaats van hen te willen veranderen in iets wat ze niet zijn, dat is voor mij een van de belangrijkste dingen in dit verhaal. Doorheen de jaren hebben we elkaar beter leren kennen en zijn we erin geslaagd om de sterktes van wie we zijn als muzikant een veel betere plek te geven in de muziek. Daardoor is het trio ook gegroeid: niet door ons te forceren, maar door elkaar ruimte te laten en precies dat te gebruiken wat elk van ons uniek maakt.

Jullie nieuwe album heet ‘The Virgo’. In welke mate weerspiegelt het de geschiedenis van het trio?

Voor mij laat dit album precies zien waar we nu zijn als trio. Of het uiteindelijk een speciale plek zal innemen in de geschiedenis, weet niemand van tevoren; dat ontdek je pas achteraf. Voor mij is dit vooral een soort fotomoment: hier staan we, op dit punt in onze carrière. In het begin heb ik wel even zitten nadenken of ik iets speciaals moest doen en of ik gasten moest uitnodigen. Extra lagen, er toeters en bellen aan toevoegen. Uiteindelijk heb ik dat losgelaten. Ik heb bewust gekozen voor eenvoud. We zijn met het trio goed voorbereid de studio ingegaan met nummers die ik speciaal heb geschreven. We hebben echt de tijd genomen om alles op ons gemak op te nemen zonder druk. Het moest kunnen ademen. Wat je op deze plaat hoort, is echt een momentopname van waar we staan. Misschien herken je elementen van vroeger, maar tegelijk voelt het ook meer uitgesproken, meer to the point. Dat is waar ik altijd naar op zoek ben: muziek die helder is, eerlijk en precies zegt wat ze op dat moment moet zeggen.

Ik kan me inbeelden dat het creatieve proces, het maken van nummers anders is dan vroeger. Gebeurt dat nu meer intuïtief of net meer gestructureerd?

De combinatie vind je zeker op ‘The Virgo’: het beste van beide werelden. Hoewel ik waarde hecht aan toeval en intuïtie, besteed ik tevens veel aandacht aan een grondige voorbereiding. Diverse nummers zijn meer uitgewerkt en zorgvuldig opgebouwd, met duidelijke structuren en een doordachte aanpak. Neem bijvoorbeeld Laniakea, dat is een meer doorgewerkte melodie, op een andere manier gecomponeerd en voorbereid. Andere stukken zijn veel spontaner ontstaan. Af en toe noteer ik iets snel, zoals Oort Cloud, dat ik letterlijk pas één dag voor de opname heb opgeschreven. Vervolgens moet ik in de studio opnieuw mijn krabbels ontcijferen om precies te begrijpen wat ik ermee bedoelde.

Vaak gebeurt het dan dat we het meteen proberen, een take opnemen en dat die versie uiteindelijk ook op de plaat belandt. Ik probeer beide benaderingen te omarmen: het gecontroleerde en het intuïtieve, maar het is niet zo uitgepuurd of strak uitgewerkt zoals wanneer ik voor een orkest schrijf, waar elke noot en elke punt vastligt. Hier laat ik bewust ruimte open voor de muzikanten en hun inbreng om de muziek mee vorm te geven. Op het moment dat die partituren op papier staan, begint het pas echt. Dan moet het gespeeld worden en in het spelen krijgt het zijn definitieve vorm. Zo’n compositie blijft zich ontwikkelen terwijl ze wordt uitgevoerd.

Je beweegt jezelf vlot tussen jazz, filmmuziek en andere grote internationale projecten. Hoe beïnvloeden die werelden elkaar in jouw werk?

Die afwisseling is voor mij belangrijk omdat ik me snel verveel. Als ik te lang hetzelfde doe, heb ik het gevoel dat ik in een hoek word geduwd. Daar voel ik me niet zo comfortabel bij. Net daarom komt het goed uit dat ik met een trio werk op een manier waarbij ik het project soms even kan laten liggen, andere dingen kan doen en er dan later weer op terugkom. Voor mij is dat echt een verrijking. Ik werk veel met filmmuziek en dat is heel intensief. Je moet je daar volledig in opsluiten, echt in een cocon gaan zitten om te kunnen leveren wat er gevraagd wordt. Dat is boeiend en mooi werk, maar als dat dag in dag uit, maand na maand, jaar na jaar hetzelfde ritme wordt, dan wordt dat voor mij te veel. Dan voel ik me ongemakkelijk.

Door al die andere projecten ernaast te doen, krijg ik de ruimte om te schakelen, om dingen even los te laten en daarna opnieuw op te pakken. Dat heen en weer bewegen is voor mij een ideale manier van werken. Bovendien verrijkt het ene project het andere. Je leert opnieuw hoe belangrijk stilte is in muziek, hoe essentieel ruimte kan zijn. In orkestwerk is dat heel belangrijk, dat neem je dan weer mee in andere contexten. Ik ben ook niet alleen maar met noten bezig, maar met veel bredere muzikale ideeën en benaderingen. Door die afwisseling word ik telkens opnieuw herinnerd aan wat echt belangrijk is in muziek. Er zijn ook bepaalde samenwerkingen die me altijd zullen bijblijven. Met Maurane of Toots Thielemans, helaas niet meer onder ons, heb ik orkestwerk mogen schrijven, dat was echt een bijzonder hoogtepunt. Ook projecten met orkest en de zanger Brian Molko (Placebo) was heel speciaal om te doen.

Als ik terugkijk naar de jazzwereld, dan zijn er ook onvergetelijke momenten zoals die met Dewey Redman, de vader van saxofonist Joshua Redman. Ik mocht ooit een festival openen waar hij kwam spelen, en dat blijft me bij. Niet alleen om de muziek, maar ook om de mens. Zo iemand die tussen de optredens door verhalen vertelt over spelen met Thelonious Monk of John Coltrane, en zijn ervaring met Keith Jarrett in een tourbus onderweg. Dat zijn dingen die je nergens anders hoort. Verhalen en momenten die je bijblijven, en die voor mij nog altijd een enorme bron van inspiratie zijn.

Je muziek werd uitgevoerd op grote internationale podia en events, zelfs tot op de Olympische Spelen. Wat betekent dat voor jou als componist?

Natuurlijk ben ik ergens trots op mezelf. Dat flitst wel eens door je hoofd: dat zoiets gelukt is. Eerlijk gezegd kan ik dat meestal pas achteraf echt plaatsen. Op het moment zelf en vaak al weken voordien, zit je in een enorme druk en stress. Het is lastig om te beschrijven hoeveel verantwoordelijkheid je draagt in zo’n situatie. Toen ik als arrangeur en musical director werkte voor het project “10 Jaar Koning Filip”, met een live-uitzending voor anderhalf miljoen kijkers en een evenement waar honderdvijftigduizend mensen aanwezig waren, besefte ik dat er geen ruimte was voor fouten: je hebt maar één kans.

Alles moet kloppen. Zowel in de voorbereiding, waar je alles tot in de puntjes moet uitwerken, als op het moment zelf waar je alles moet sturen en bewaken. Die druk is gigantisch. Achteraf ben ik dan uiteraard blij, maar het duurt altijd even voor ik echt kan genieten van wat er gebeurd is. De dagen nadien moet je eerst nog bekomen van die spanning, die stress en die adrenaline die nog door je lijf blijft razen. Ik ben dankbaar dat ik die kansen krijg, maar ik besef tegelijk dat elke nieuwe opdracht weer voelt als een begin van iets dat moet kloppen. Uiteindelijk is dat ook wat blijft hangen bij het publiek: het laatste werk dat je gedaan hebt. Dat besef brengt altijd opnieuw druk met zich mee, maar het houdt je ook scherp.

Welk moment uit dertig jaar carrière voelde voor jou als een echt hoogtepunt?

Met het trio is er één moment dat er voor mij echt uitspringt. Dat was tijdens het Rochester Festival in New York, ergens rond 2003 of 2004. We waren uitgenodigd om daar te spelen met het trio, en dat alleen al was op zich al bijzonder. Toen we aankwamen kregen we meteen te horen dat we Wallace Roney moesten vervangen omdat die het festival niet konden halen door een auto-ongeluk. Plots moesten we dus niet één set spelen, maar een volledig dubbel programma. Vier concerten in totaal, dus, en dat terwijl we net van het vliegtuig kwamen zonder tijd om even op adem te komen of zelfs maar de hotelkamer te zien. We zijn dus rechtstreeks van de luchthaven het podium opgegaan. Eigenlijk heeft dat goed uitgepakt. We hebben daar een sterke set gespeeld. Voor mij was het bijzonder dat de organisatoren ons dat vertrouwen gaven en ons op zo’n moment geschikt vonden om in te vallen. Dat is echt een hoogtepunt geweest voor het trio.

Als componist zijn er ook veel momenten die me bijblijven, het is moeilijk om er één uit te kiezen. Een van mijn meest unieke belevenissen was het dirigeren van 'Symfollies' in Japan. Voor deze productie had ik klassieke muziek opnieuw gearrangeerd voor de animatieserie. Met het Japan Symphonia Orchestra trad ik op in prachtige concertzalen in Tokio en Yokohama. We gaven vier concerten ter gelegenheid van de nationale première van 'Symfollies' in Japan. Eigenlijk zijn er veel van dat soort momenten. Te veel om er echt één uit te pikken, maar dat is misschien net het mooie eraan.

Er is een tijd die voorbij is, maar ook een die voor je ligt. Welke dromen en ambities blijven er nu nog over?

Ik heb een mooi gevulde agenda en doe vooral de dingen die ik graag doe. Gezondheid blijft daarbij natuurlijk belangrijk. Ik hoop vooral dat het zo blijft zodat ik nog zo lang mogelijk kan doorgaan. Met het trio hebben we ondertussen onze dertigste verjaardag gehaald. In het begin zei ik al eens tegen Marc dat ik met dit trio als doelstelling had om samen oud te worden op een podium. Dat idee is altijd blijven hangen. Ik wil dit zo lang mogelijk blijven doen. Het beeld van drie oude mannen op een podium heeft iets moois voor mij. Ook op compositorisch vlak blijft er nog veel ambitie. Films blijven geweldig om te doen, dat blijft mij inspireren. Er is nog een droom die ik al lang meedraag en dat is een opera componeren. Dat zou ik heel graag willen doen als de kans zich ooit aanbiedt. Als dat moment komt, grijp ik dat met twee handen vast om zo verder mijn eigen parcours te blijven uitbouwen en mijn eigen stem te blijven zoeken in de muziek.

← Terug naar overzicht