Briskey Big Band Ik wil mensen verleiden met muziek

Ik wil mensen verleiden met muziek
Briskey Big Band luidt de zomer in met een live album dat opgenomen werd in de AB. Met de big band staan er maar liefst vijftien muzikanten op het podium, waaronder bekende gezichten als Bart Maris en Isolde Lasoen. Wij zaten aan tafel met bezieler en duivel-doet-al Gert Keunen.

Bij het horen van de naam Briskey Big Band, dacht ik meteen aan big band swing uit de jaren dertig, maar op de cd is iets helemaal anders te vinden. De muziek die jullie maken is heel eclectisch. Waar zou je het zelf situeren?
Gert Keunen: Het feit dat het moeilijk te classificeren is, is ook de reden dat ik het maak. Ik wil eigen stijlwegen bewandelen en daar dan mijn eigen verhaal mee maken. Ik sprokkel allerlei fragmentjes en stijlen bijeen en probeer die dan in een eenheid te gieten. Het grootste compliment dat ik kan krijgen, is dat ik een eigen stijl zou hebben, en dat probeer ik ook. Die verschillende onderdelen die erin zitten, dat is ook gegroeid doorheen de jaren. Dan spreek ik niet zozeer over de muziek waar ik in het verleden naar geluisterd heb, want dat is allemaal zo veel en zo dooreenlopend. Maar ik maak al acht à tien jaar muziek met Briskey. In het begin situeerde zich dat meer in de elektronische dansmuziek. Van meet af aan wou ik een combinatie maken tussen elektronica en live muzikanten. Eerst was dat met samples en op de tweede cd ‘Scarlett Roadhouse’ had ik allemaal samples genomen van big bands uit de jaren dertig en veertig. Die samples zijn geen herkenbare stukjes muziek, eerder losse noten, slotakkoorden, waarmee ik dat geluid kon hebben zonder de melodie. Via knip- en plakwerk maakte ik daar melodietjes van. Daardoor groeide de wens om dat ook live eens op een podium te brengen. Het is steeds meer jazz geworden, maar zeker geen echte jazz en ook geen big band swing, omdat ik nooit van die muziek vertrokken ben. Het belangrijkste dat me aantrekt in die oude big band orkesten is het volume. Het grootse, het soms zelfs bombastische, het vurige, het wilde, het scheurende van die blazers. Als je dat op een podium brengt met heel veel blazers, wordt dat dan automatisch bij jazz gecatalogiseerd. Ik heb daar geen problemen mee. Liever jazz dan rock, en het is ook meer jazz dan rock, maar zelf beschouw ik het niet als jazz.

Hoe vind je die samples dan? Ga je echt expliciet op zoek in platenzaken?
Voor de tweede cd wel. De eerste komen altijd toevallig, totdat je ergens een lijn ziet en dan ga je wel gericht zoeken. Ik denk dat ik dan misschien vijftig of zestig big band cd’s in huis heb gehaald. Maar nogmaals, het is alleen de klankkleur die ik wilde hebben. De melodieën zijn niet gestolen van een plaat, maar echt zelf samengesteld met gevonden klanken. Het is altijd heel moeilijk om dat zo organisch mogelijk te laten klinken. Het is echt uren, dagen en weken knutselen om dat allemaal goed te krijgen. De big band biedt zeker een meerwaarde omdat je ze alles live laat en hoort spelen. Dat is echt een nieuwe dimensie.

Die overgang tussen Briskey en Briskey Big Band lijkt allemaal heel natuurlijk en geleidelijk aan te zijn gekomen. Waar houdt Briskey op en begint Briskey Big Band? Is er een duidelijke lijn te trekken tussen de twee?
Nee. De big band heeft twee functies. Langs de ene kant is het een soort van hoogtepunt van Briskey tot nu toe. Anderzijds laat dat meteen ook de mogelijkheid om de gewone Briskey ervan los te koppelen. Dus die big band is een soort van apotheose. We doen ook verwerkingen van nummers van de eerste twee cd’s, plus twee nieuwe, die ik nu specifiek voor het live project heb gearrangeerd. Ik vind ze beter dan de studioversies. Maar door het feit dat die big band er nu is, kan ik daarnaast ook weer andere dingen doen.

De nieuwe cd zit ook vol met exotische elementen. Dat hoor je ook in de titels: meer dan een derde is in een andere taal dan het Engels. Er zit onder andere een Toscaans dorp tussen, Camucia. Wat is het verhaal daarachter?
Dat is op de grens met Umbrië.... Ik weet het eigenlijk niet. Ik wist zelfs niet dat het een Toscaans dorp was. Ik ben wel verschillende jaren naar Umbrië op vakantie geweest, in de buurt van Lago Trasimeno en als je daar naar het noorden rijdt, dan kom je langs zo’n mooi dorpje en daar ligt Camucia. En toen ik nadien daar voorbij kwam, dacht ik “Oh, dat is mijn titel!”. Ik denk dat het onbewust is blijven hangen van een eerdere vakantie. Ik kijk natuurlijk altijd wel rond, en soms schrijf ik iets op, maar dikwijls weet ik achteraf dan niet meer vanwaar het juist kwam. Ik vind het wel belangrijk dat het niet allemaal Engelse titels zijn. Ik ben geen Engelsman, en dan moet ik ook niet doen alsof. Het merendeel is wel Engels. Helaas eigenlijk.

Is het nooit in je opgekomen om iets in het Nederlands te doen dan?
In het Nederlands vind ik het moeilijker. Dat had ook gekund, als titel, maar een Italiaanse, Spaanse of Franse titel klinkt iets warmer, verleidelijker en stijlvoller. Ik ben ook geen tekstschrijver. Ik schrijf alleen non-fictie. In fictie ben ik echt heel slecht.

Je staat met zoveel mensen op het podium en daar komt dan ook nog een stem bij. Het is niet evident in dit genre om met een zangeres te werken. Was dat een bewuste keuze?
Ja. De zangeres in kwestie, Dona Alberti, was eigenlijk de eerste muzikant waarmee ik samenwerkte. Al op de tweede maxi zingt zij mee, en in de kleine bezetting, voor we met de big band optraden, was zij ook altijd de zangeres. Het was ergens logisch dat zij er ook bij zou zijn. Ik vind zelf dat haar stem bij de big band nog beter tot uiting komt omdat het meer gedoseerd is. In de kleine bezetting stonden we met zes op het podium en in die omstandigheden trekt de zang al snel alle aandacht naar zich toe. Bij de big band is het netjes in evenwicht. Er zijn momenten dat ze er niet bij is en telkens als ze opkomt voor een vocaal nummer, geeft dat ook weer een meerwaarde. Met de kracht die zij in haar stem heeft, kan ze ook boven de rest uit en dat is ook niet onbelangrijk.

Was het eigenlijk moeilijk om muzikanten te vinden voor de big band?
Nee, echt ongelofelijk. Naast de vijf met wie ik in het verleden al samenwerkte, had ik tien extra mensen nodig. Sommige kende ik al, anderen via via. Muzikanten vinden was eigenlijk het gemakkelijkste van het hele project: gewoon mensen opbellen en die zeiden meteen ja. Dat was echt fantastisch. En het toffe is ook dat ze allemaal zoveel plezier hebben op het podium. Ook op dat vlak is het een hoogtepunt. Het is echt altijd een feest. Een beetje contradictorisch, maar ook productioneel was het veel gemakkelijker. Net omdat je met zoveel bent, moet alles veel beter georganiseerd zijn, waardoor het ook veel vlotter loopt dan wanneer je met minder bent. Dan heb je veel sneller iets van “het komt wel in orde” en dan komen er ook veel problemen.

Jullie zijn meteen begonnen met een live album. Mogen we ook een gewoon album verwachten of wil je echt dat live aspect benadrukken?
Eigenlijk wel. Om te beginnen is een studioplaat eigenlijk ook gewoon financieel niet haalbaar. Dat is de belangrijkste reden. Als je een big band in een studio wil opnemen, dan kan je niet iedereen afzonderlijk gaan opnemen. Dan moet je echt een grote studio hebben, heel veel studiotijd, dan moet alles heel veel opnieuw gedaan worden om alles goed te krijgen... Kortom, dat is een hele dure onderneming en dat geld is er helaas niet. Dat is één reden. De andere reden is dat de big band net die live ambiance nodig heeft om tot zijn recht te komen. Het volle van die muziek en de dynamiek waarmee het gespeeld wordt, werkt het best als het voor een publiek is. Als je dat in een studio gaat opnemen, heeft dat niet diezelfde impact. De band is perfect om live te spelen en daarom wou ik ook een live plaat.[pagebreak]

Als Miles Davis een plaat opnam, jamde hij maar wat en werden de stukken die niet goed genoeg waren voor de plaat gewoon weggelaten. Vertrekken jullie voor jullie muziek van partituren? In hoeverre is er bij jullie plaats voor improvisatie?

Alles staat op partituur, maar er is wel plaats voor improvisaties. De muziek is er eerst en de partituren komen maar daarna. In negentig procent van de gevallen maak ik alle nummers in mijn home studio via een muzieksoftwareprogramma. Als de demo af is, stap ik naar de muzikanten en maak ik voor hen partituren. Die zijn langs de ene kant heel strikt op te volgen en langs de andere kant ook heel los. Dat groeit dan als we samen spelen. In de repetities werken we die partituren bij en kijken we waar gevarieerd kan worden. In die partituur is er telkens ook ruimte voor improvisatie voorzien. Natuurlijk moet er bij een big band veel meer vastgelegd zijn, daarom vind ik het ook zo’n tof ding. Je kan met een big band niet collectief improviseren. Daardoor is het altijd strikt gescheiden wie in welk nummer de vrije rol krijgt. Op die manier is het ook voor de muzikanten zelf uitdagender. Hoe meer we spelen, hoe beter het klinkt. Dat komt omdat de muzikanten steeds beter door de partituren kunnen kijken en omdat het groepsgevoel steeds groter wordt. Bijvoorbeeld bij Jazz Middelheim was er zelfs een moment van collectieve improvisatie.

Muzikanten weten dat het dikwijls al moeilijk genoeg is om vier mensen samen te krijgen. Hoe doen jullie dat met repetities?
Dat is heel moeilijk, ja. We hebben voor het eerste concert een week repetities gehad. Die zijn dan afzonderlijk per sectie: bas, drum, toetsen samen en dan alleen de trombones, alleen de saxen, alleen de trompetten. Dan alle blazers samen en dan allemaal tezamen. Dat is een geleidelijk proces. Maar het moet heel lang op voorhand vastliggen, want die mensen zijn allemaal zo druk bezet. Zoals Bart Maris, die is gewoon de kampioen van in het meest aantal groepen spelen. Toch lukt het altijd wel, maar er komt heel veel planning bij te kijken. Eenmaal de repetities voorbij zijn voor een bepaald programma wordt er ook niet meer gerepeteerd voor de rest van de concerten. We nemen hooguit nog wat dingen door tijdens een lange soundcheck.

Treed je veel op met Briskey Big Band?
Niet echt. Vorig jaar hebben we zo’n zeven grote podia gehad. De AB natuurlijk. De Vooruit. Jazz Middelheim, wat een fantastisch concert was. Ook de Gentse Feesten, daar was de beste ambiance. De Roma in Antwerpen. Het Cultureel Centrum van Hasselt. De Warande in Turnhout. Dat was ook de bedoeling: zeven concerten die verspreid lagen over het Vlaamse grondgebied. Veel meer dan dat kun je ook niet doen. Het grote probleem is dat je met veel mensen bent. Vijftien man op het podium, vier ernaast. Zo beperk je de speelkansen. Ik ben blij dat we op de meeste belangrijke plekken hebben kunnen spelen.

Zijn er optredens die invloed hebben gehad op wat je nu doet met Briskey Big Band?
Mijn eerste echte confrontatie met blazers was bij een Gentse groep The Simpletones. Een groep van Johan De Smet, die bekend is omdat hij alle muziek voor Kamagurka maakt. De Gentse avant-rockscene werd dat dan genoemd. Dwarsliggende ex-punkers die jazz en klassiek gingen spelen. The Simpletones traden ook met een vijftien à twintig man op, met ook heleboel blazers. Ik denk dat dat de eerste keer was dat ik echt weggespoeld werd door de kracht die die instrumenten kunnen hebben. Dat heeft zeker een invloed gehad. Ook omdat ik daardoor als gitarist – want ik ben altijd gitarist geweest – in projecten meespeelde met die muzikanten. De trompettist en saxofonist waar ik altijd mee werk komen ook uit diezelfde scene. Dat was in de eerste helft van de jaren negentig, toen ik pas in Gent kwam wonen. Aan de andere kant is er ook de steeds groeiende interesse voor jazz die er is bijgekomen. Minder een invloed, maar eerder een geestesverwant is misschien ook Cinematic Orchestra. Jason, de man achter Cinematic, is ook een vriend van me. Ik heb hem leren kennen in de tijd dat ik als labelmanager werkte bij Rough Trade voor Ninja Tune. Hij was mijn rechtstreeks contact met dat label en we hingen dagelijks aan de telefoon en toen begon hij muziek te maken en ik ook. Heel verschillende dingen, maar dat was wel tof. Hoe hij het heeft uitgebouwd, was op zich ook eigenlijk wel een voorbeeld. Er zijn er zeker nog andere... Ik probeer af en toe een beetje humor in mijn muziek te steken en daar zit mijn Zappaverleden wel voor iets tussen. Het bombastische komt zeker van Pink Floyd... Dat zit er allemaal wel ergens in.

Terug naar Briskey om af te sluiten. Is Briskey verleden tijd, nu je met Briskey Big Band begonnen bent?
Nee, integendeel. Ik werk op dit moment zelfs aan een nieuwe plaat voor de gewone Briskey. De big band is er gekomen als een afzonderlijk project, om met de kleine Briskey een nieuw hoofdstuk te kunnen inslaan en met dat nieuw hoofdstuk ben ik nu bezig. Bij de big band heb ik iets gevonden dat me goed ligt en waar ik graag mee verder wil doen, maar daarmee kan je ook niet alles doen. Veelzijdigheid vind ik heel belangrijk. De twee bands zijn heel sterk met elkaar verbonden, ze zijn allebei van mij, maar door het feit dat de big band er is, kan ik de kleine Briskey heroriënteren. De nieuwe nummers zijn veel trager, veel donkerder en veel filmischer. Er zit niks in dat op een song lijkt, geen frivole, zomers deuntjes. Veel meer passie en gevoel en hopelijk nog verleidelijkere muziek. Dat is toch het doel. Ik wil mensen verleiden met muziek. Die nieuwe nummers zijn allemaal af en ik zit nu midden in de opnames. Een deel van de mensen van de big band zie je ook terug op deze plaat. De Briskey Big Band moet die felle, zware, volle blazersmuziek zijn en de kleine Briskey is dan een vat om nieuwe dingen te proberen. Die twee zullen elkaar altijd wel beïnvloeden. De nieuwe cd is voorzien voor eind januari, maar hij zal wel af zijn eind oktober, begin november. In 2009 wil ik dan terug met de kleine Briskey optreden.

November 8, 2008
Lene Hardy