Schemerzone #12
SchemerzoneMario De Block — 4 juli 2026
Een selectie muzikale alternatieven uit mei 2026.

Magda Mayas (1979) studeerde jazzpiano in Berlijn en bij Misha Mengelberg in Amsterdam. Ze doctoreerde in Göteborg op het gebied van performance en spelinterpretatie, en doceert tegenwoordig improvisatie in Luzern. Met inmiddels meer dan veertig albums op haar naam — solo en aan de zijde van onder meer Fred Frith en John Butcher — bekwaamde ze zich verder in de vrije spelvorm. Door het gebruik van geprepareerde piano, clavinet en pianet (elektronische varianten uit de jaren zestig) rekte ze texturen en de mogelijkheden tot abstractie flink op. Niet alleen als muzikante heeft ze een uitgesproken aanpak; ze is ook actief in sociaal bewuste, antikapitalistische netwerken zoals ASMR in Berlijn, en cureerde ook ‘GAZA’ mee, een neoklassieke digital-only compilatie met impro- en avant-gardeartiesten waarvan de opbrengst naar noodklinieken in Gaza gaat.
Met ‘Chant’ — zo genoemd vanuit haar zin voor harmonie, en een zoektocht naar een bredere connectie — zoekt ze de balans tussen rust en experiment, gedragen door vaak herhaalde tonen als meditatief gerichte stijlfiguur. Voor het prepareren zelf gebruikt Mayas geen schroeven of bouten zoals John Cage dat vanaf 1938 structureel deed, en ook geen snippers papier zoals pionier Erik Satie probeerde in 1913. In plaats daarvan plaatst ze, zoals op het in Australië live opgenomen Embodied, artefacten zoals een microfoon, gaffertape of een gitaarversterker rechtstreeks op of tegen de snaren. Daardoor ontstaan vaak zwaardere of meer ruimtelijke klanken, die afwijken ten opzichte van een klassieke piano, maar waarin nog altijd veel ademruimte tussen de tonen overblijft.
Voor Halcyon voegt ze daar flink wat gitaarfeedback aan toe, en voor de titeltrack werden sequentieel twee (deels gebroken) akkoorden op zestien piano’s ingespeeld: de volledige collectie van The Piano Mill, een thematische locatie in Queensland waar ze, stuk voor stuk uniek ontstemd, overgeleverd zijn aan zowel tijd als binnen- en deels ook bosklimaat. De verwerende instrumenten werden op basis van hun harmonische aansluiting in paren ingemixt, en met een geleidelijk toenemend tempo over elkaar heen gelegd, terwijl digitaal uitgerekte klanken en overtonen transformeren in 'chants' — waarbij transducers (die geluid in fysieke trillingen omzetten) vooraf bovendien op de pianosnaren waren geplaatst, zo georkestreerde resonanties veroorzakend. Zowel fysiek als conceptueel best wel een uitdaging dus, deze plaat. Het is nu met smart wachten tot iemand enkele piano’s gaat bespelen op een trilplaat tijdens een aardbeving.
Richard Pike’s ‘Redemption Suite I-IX: For Piano & Textures’ biedt als negendelige suite -een stijlfiguur met korte, bij elkaar horende stukken- een directe reactie op Ryuichi Sakamoto’s dood eind ‘23. Het openende What Happened engageert zich in subtiel-emotieve pianomotieven, gelardeerd met clicks en pops en snippers intrigerende samples uit de eigen leefwereld. Dat creatieve samplewerk houdt de spanningsboog strak, ook wanneer Pike net als Sakamoto af en toe- voor een meer schmalzy piano kiest, als in A299.
Emu is de standout track hier, met erg geslaagd in loops verwerkte found sounds, inbegrepen voetstappen naar en van de Eavestaff Minipiano in de woonkamer, het sluiten van de klavierklep, aanslaan van een gedempte toets en beroeren van een pedaal. Een lichte knipoog naar Sakamoto’s eigen verhouding met de piano als levend houten instrument – hij selecteerde voor Zure op ‘async’ nog bewust een exemplaar dat beschadigd uit de tsunami in 2011 kwam. Met Japans gevoel bespeelt Pike hier verder een verstillende synth, om niet alleen mét maar ook tússen de toetsen schoonheid te vinden. Na de inzet van een treurende maar wendbare viool in Ephemera en glitched breakbeat in Ascenseur, kiest Pike -voorheen nog spelend bij PVT op Warp, later ook support ook voor ondermeer James Holden en Gold Panda, en intussen mee het op innovatieve klanken gerichte Salmon Universe-label trekkend- geleidelijk voor dominanter minimalisme aan de piano. Uiteindelijk wordt zelfs de granulaire synthese, tot dan doorlopend voor een frisse bite in de texturen zorgend, nagenoeg helemaal losgelaten.
Wellicht worden de analoge synths van Réka Sciszér en Radwan Ghazi Moumneh af en toe pas wakker na middernacht, om het in het uur van de wolf op een klagend huilen te zetten. Dat doen ze althans in Wāhid, intro van ‘Le Révélateur’, begeleid door een donker ronkende cello en sissende field recordings. ‘Le Révélateur’ is een eigen soundtrack bij een Franse, stille avant-gardefilm over drie gezinsleden op een onbestemde tocht doorheen een desolate omgeving. Als dochter van Hongaars-Transsylvaanse vluchtelingen, werd Sciszér sterk door de film gegrepen, een gevoel van thuisloosheid en desoriëntatie erin herkennend. Het duo bracht hun soundtrack al eerder in live uitvoering, eind vorig jaar zetten ze hun multi-instrumentaal etno-experiment ook op plaat. Best wel intens experiment zeg maar, waarin ook Ithnān, met ijl-melancholische zang van Csiszér en krabbend aan Moumnehs Midden-Oosterse buzuq-snaren, een onbestemde tussenruimte zoekt. Erupties van stevig geglitchte cello en bewerkte buzuq drukken frictie en desoriëntatie uit in Thalāta. Jagende synthwolken barsten krakend los in Arba’a, Khamsa brengt een vocaal ritueel dat niet héél veraf ligt van Dead Can Dance’s multi-instrumentaal etno-experiment met zin voor Oosterse mystiek. Sitta verwerkt hakkelend en stotterend indrukken van een gezin op de vlucht, door sampling verder verknipt, Sab’a bevecht de uitzichtloosheid in de film met stem en schijnbaar met borstel aangestreken buzuq. Een cello in grove korrel berust in de leegte met het besluitend Thamāniya.
XKatedral: de labelnaam drukte meteen de ambitie uit buiten de muren van klassieke instituten te willen stappen, met experimentele, vaak minimale, op neoklassieke leest geschoeide drones van alternatieve, in de scene al snel doorbrekende acts als Caterina Barbieri, Kali Malone of Jessica Ekomane. De derde labelverzamelaar, ‘XKatedral Anthology Series III’, werd begeleid met een rerelease van de gezochte vorige twee compilaties, plukkend uit de sinds 2014 opgestarte discografie. Op die uitgaven vielen de harmonische, met gamelans gecapteerde boventonen van geduldige orgeltonen van Edberg, Erlandsson & Lisinski’s Dissolving Ceremony al op, net als Maria W Horns ecologische klaagzang Dies Irae (live), geschreven onder dreiging van naburige bosbranden, en Marta Forsbergs Disquiet (Heart) illustreert hoe dicht irritatie en schoonheidsbeleviing tegen elkaar aan kunnen liggen, wanneer orgelpijpen eerst nadrukkelijk interfereren in middentonen, en vervolgens volgehouden harmonisch doortrillen.
Op deel III valt Maria W Horn nog ‘s op, met de epiek van via SuperCollider opgebouwde zaagtanddrones (Empyrean Flare), David Granström lijkt zijn IDMbient met ijsblokjes op te dienen, Jessica Ekomane’s barstende synths op haar debuterende To Whoever Shall Inherit The Earth scheuren Stephen O’Malley achterna, al volgt die zelf als SOMA met Smoking Mother, waarin historische synths gaan zoemen als een nest bronstige hoornaars onder hoogspanning. Erlandssons Att Böja Själarna (‘de zielen buigen’) lijkt gefilterde perslucht door de synths te sturen (hij gebruikte een bandpass-filter), en Karlsson simuleert met variabele zaagtandgolven in Fault Lines een kosmische didgeridoo. De plaat, en het label algemeen, maakt zo het meeste indruk wanneer de sfeer van oude muziek in doorgedreven moderne technieken wordt ondergedompeld.
Ard Bit -sonisch experimentalist en field recorder Ard Janssen uit Rotterdam- en de van minimal industrial en experimental ambient gekende Radboud Mens schoven de Max/MXP, Granulator II, een custom Eurorack, convolution reverb tool en Ards grotendeels op IJsland opgenomen set veldopnamen bij elkaar en bouwden aan ‘Mara Silen’: een plaat als reis over een denkbeeldige oceaan, langs al even ideële eilanden, genaamd volgens de tracktitels. Mooi idee, dat je luisterend de vrijheid geeft een eigen beeld te vormen over kleur, diepte en golfslag van het water enerzijds, en reliëf van de verbeelde eilanden anderzijds. Maar stel je geen idyllische parelwitte stranden voor, noch een rijk vogelleven of vruchtbare visgronden. Kure tekent meteen een asgrijs wateroppervlak uit, vanwaaruit, onder een smoggy lucht, op een postnucleaire kust wordt aangemeerd, met groepjes dunne bomen, stervend in giftig slib.
Geen Kaap de Goede Hoop in het blikveld hier, geen kokosnoot te rapen. Snel weg maar, naar Elming – waar de sfeer nog beklemmender is. De zon brandt vaag door dikke grijze nevel, splijtstaven gloeien na in lekkende koelvaten, aan een violet nakleurende kustlijn. ‘Mara Silen’ wil je uitnodigen eigen herinneringen te koppelen aan haar soundtrack, maar tenzij je Tsjernobyl al bezocht lijkt het een geschiktere soundtrack bij het doorbladeren of bekijken van Edward Burtynsky’s ‘Manufactured Landscapes’, een collectie bevreemdend esthetiserende beelden van door en door vergiftigde milieus.
Heel even hoor je nog een paar insecten op Kosrea: die nikkelvoerende afvalstroom even verderop bleef vast nog net onder de lethale waarden. Iturup lijkt nog armer aan zuurstof: vergeefs schudden kustvogels het teer van zich af, zwaveldampen omcirkelen de geknakte gebinten van een verlaten cokesfabriek. Mooi wel, die gele aswolken boven dat stervend berkenbos, terwijl mannen in gasdichte pakken met machinale tanden het eerste staal ruimen. Laterne is uitnodigender, en laat de toxic sublime geleidelijk los: het water vliedt er soepel over de rotsen, de hemel gloort blauw tussen wijkende dampen. Een koperen orgelsample, geresynthetiseerd tot doorlopende synthlijn, tekent golvende lijnen van een goudgeel, nog niet bezocht zandstrand na, waarna nog even trompettende kraanvogels door het oranjerode avondzwerk klieven. Hopelijk zoeken ze de bevroren mist boven Aland niet op, waar de geigerteller alsnog in het rood gaat. Met 'Mara Silen' glijdt zo vast ook bij jou een reeks vooral beklemmende beelden aan het geestesoog voorbij, goed voor licht koudzweet aan je oren.
Hoewel hij er in 1996 in Philadelphia nog van won, moest Garry Kasparov, destijds wereldkampioen schaken, een jaar later toch de duimen leggen in een nieuwe strijd tegen een flink geüpgradete Deep Blue. Die was verder ontwikkeld met programmeurs en ingehuurde schaakmeesters, en nam het gedurende zes partijen op tegen de wereldkampioen. Officieel duren schaakwedstrijden een stuk langer -op WK’s zijn dat 14 partijen; Kasparov en Karpov bekampten elkaar ooit in 48 partijen over vijf maanden, met finaal opgave van beiden door uitputting. IBM wilde echter een compacte, mediatieke strijd met de Rus, met commerciële belangen voorop. Na de verloren strijd eiste Kasparov een rematch met normale duur, maar IBM weigerde; de legende van een onklopbare machine was gelanceerd. Meteen ook wel een beetje een boomerang voor Kasparov, die in 1989 nog simpel won van voorganger Deep Thought en toen stelde dat de mens nóóit zou verliezen van een machine. Het is een ijkpunt in de geschiedenis van AI, en voor Francis Heery de insteek voor ‘Garry Kasparov vs Deep Blue’.
Daarvoor schreef hij alle zetten uit het spel uit, koppelde elke schaakzet aan specifieke muzikale parameters (timing, toonhoogte en lengte van noten en tonen), en moduleerde ze. Af en aan rollende synthgolven vormen zo een beetje een templaat doorheen de plaat, met patronen van vaak in echo’s wegebbende bleeppulsen, zowel helderder, scherper piekend, als breder gevormd en dieper gefilterd, met variabele reverb of timestretching. In hun komen en gaan simuleren ze hoe beide opponenten iteratief stappen op het bord overwegen, opties wegfilteren, posities plaatsen. Game 1 wordt daarbij nog geëvoceerd in helder, transparant geluid, maar vanaf Game 2 wordt de sfeer spannender, drukkender. Geen wonder: Deep Blue plaatste af en toe een onverwachte zet: in eerste fase nog gevolg van een bug, in partij 2 bewust inzettend op langeretermijnsdenken, eerder dan op snelle positiewinst. Kasparov kreeg het in die context, met alle camera’s op zich, mentaal steeds benauwder, vermoedde eerst superieure intelligentie, dan weer mede-inzet van een achter de schermen meespelende opponent. Uiteindelijk zou hij op de derde speeldag onder groeiende stress opgeven in de zesde partij – al lag er naar later bleek een remise in het verschiet. Breder muzikaal gezien weet de plaat zich wat gevangen in vorm en aanpak, maar net daardoor drukt ze ook Kasparovs geleidelijke locked in-syndroom doorheen de wedstrijd uit, en is ze een best wel geslaagde, kunstige conceptplaat geworden.
Met intussen minstens twintig preset-packs van zeventien softwarebedrijven kun je gezellig thuis je eigen Boards Of Canada-geluid ineenknutselen. Hoewel je dan eigenlijk beter meteen een kamer in een spookhuis huurt want, al leggen weinigen de link: er is een flinke connectie tussen Boards Of Canada-muziek en het UK folk horror-genre. Zelf zien ze bijvoorbeeld 'The Wicker Man', een referentiefilm daarin, als een ultra-cult werkstuk, dat de fantasie van de kijker voldoende prikkelt in het contrast tussen horror en onschuld, met een raar spanningsveld tussen verhaallijn en folky muziek. Die tweespalt tussen onschuld en beklemming werd leidraad in veel van hun eigen werk, waarbij vooral ‘Music Has The Right To Children’ een indrukwekkende referentieplaat werd in, zeg maar, bad trip elektronica. Dertien jaar liet ‘Inferno’ op zich wachten, sinds ‘Tomorrow’s Harvest’: dat schept verwachtingen, en… de plaat maakt ze helaas niet helemaal waar. Introit trekt ze op gang met cyclische, tegelijk naïef en maanziek klinkende synths. Prophecy At 1420 Hz krikt het cultgehalte al meteen op: de titel refereert aan de frequentie waarop naar buitenaards leven wordt gespeurd, opent met een mystieke Oosterse melodie en samplet vocodered frasen uit een lezing van de Iraans-Amerikaanse filosoof Seyyed Hossein Nasr rond bewustzijn als basis van realiteit. De synths uit Hydrogen Helium Lithium Leviathan zijn wel érg zeeziek: de eigen esthetiek neigt hier éven naar een iéts te nadrukkelijk trucje, voordat een elektroïde trip hop beat zich laat begeleiden door een dromerig lo-fi arpeggio. Leviathan, het zeemonster uit de Joodse mythologie, weet zich hier gekoppeld aan de drie hoofdelementen aanwezig net na de oerknal, natuur en vernietiging verwant stellend. Age Of Capricorn trekt het beeld van een dystopische toekomst door: het is nog wachten tot circa 4150 voor dat tijdperk begint, maar Mabus, de Antichrist, wordt alvast even in de spotlights gezet door een televangelist. In Father And Son, één van de sterkere tracks, groeit een tweespalt tussen een vader en een in fanatiek geloof gevangen zoon, maar de voortdurend op omvallen staande glo-fi shoegaze van Somewhere Right Now In The Future legt bloot hoe het duo af en toe wat vastloopt in ijdele sfeerschepping. De seventies psychedelica van Naraka, met halfweg een Oosters mantra, zou je vintage Boards Of Canada kunnen noemen, muzikaal gezien natuurlijk een flink pleonasme. Een borrelende dark ambient interlude met Acts Of Magic, en lysergische, met valium geïnjecteerde synths en timestretched stemsamples volgen in Memory Death. The Word Becomes Flesh verwerkt stemsamples slim tot ritmische patronen op zichzelf, en Into The Magic Land neemt de tijd voor sfeervolle melo-fi, randje coldwave met gevoel voor mystiek. Blood In The Labyrinth stapt door een wel erg stoffige opslagruimte vol vroege eightiesgitaren, gevat in trage synth swirls. Maar in de volgende kamers zakt de plaat toch een beetje door de vloer: het ontbreekt er zeker niet aan sfeer, maar wél aan pakkende, bitterzoete melodieën, sterk als ze daarin waren in hun vroege werk. You Retreat In Time And Space lijkt een bericht aan zichzelf: het loopt een tijdje vast in een eigen tijd en ruimte, al rondt het nog mooi af. Maar met lijzige retrosynths, tanden verliezend als in het overmatig gesuikerde Deep Time en I Saw Through Platonia, lijkt een milde vorm van diabetes type 2 te zijn ontstaan.
Robert Henke, de man achter Monolake, is behalve als één van de belangrijkste ontwikkelaars van Ableton vooral bekend van zowel stuwende dubtech als zeer gelaagde en geavanceerde elektronica, af en toe aangevuld met visueel-artistieke zijsporen. Met ‘Signal To Noise – Volume II’ engageert hij zich dieper in minimale, pure ambient. Ook bij Ableton sinds een tijd kiezend voor integratie van oudere synthfilters en enveloppen, plaatste hij voor deze opvolger van het 22 jaar oude ‘Signal To Noise’ de Yamaha SY77 centraal, intussen 35 jaar compagnon in de studio. Met stevige filtering, granulaire resynthese en doorgedreven verschuivingen in toonhoogte, biedt deze opvolger een tegelijk rustgevend en toch ook aangenaam synapsprikkelend geheel van bewerkte drones. Via zowel vetter rollende curves als hoger driftende lijnen leg je zo een virtuele ruimtereis af, met af en toe flinke baanversnellingen, afwisselend feller oplichtende en gradueel weer uitdovende imaginaire lichtstralen, en in Signal To Noise V ook even een blik op de achterkant van de maan. Met een geaarde zin voor mysterie laat Henke hier geslaagd de innerlijke Eno in zichzelf los.
Jammer voor ambientliefhebbers met slaapproblemen en/of angststoornissen, maar Andrea Porcu laat zijn op hen gerichte Music For Sleep-project zachtjes los. Voor ‘Infinite Tape Loops: I Fell Apart in Quiet Days’ tastte hij in dozen oudere tape-opnamen, draaide ze rond de spoelen van zijn vintage reel to reels, en geeft de klanken over aan een hypnotiserend wow & flutter gedurende 23 minuten 23 seconden. Een minimalistische pianoloop draait melancholisch rondjes in A Familiar Interval, synthswabs vlechten zich verdoofd doorheen een low-pass filter met I Saw Forever Change Shape (part I & II). Every Incomplete Step draagt net niet rondgemaakte cirkels van korte gitaartokkels over een beschadigde magneetband; reverb, decay en tape delay trekken trage tonen in een dense geluidsmist op Before I Could Understand It. I Fell Apart In Quiet Days zwaait je met trage hand uit, terwijl loslatende magneetdeeltjes eerst gaatjes slaan in de geluidsband, later ruisend neerspattend. Porcu blijft overigens wel actief onder eigen naam en via zijprojecten als come le onde en mare immobile, tegelijk labelbaas blijvend van ROHS! Records en Lontano Series.
DYL & Roberta -het Roemeense experimentele electronic/technoduo dat ik al tipte in april, debuteerde op lp met ‘Anchorat’ op het eigen Achordat. A1 -denkwerk besteedden ze liever aan de composities dan aan de tracktitels- pakt uit met polyritmisch gedeconstrueerde elektronica. B1 inspireert zich op glaciale, geleidelijk wat hoekiger dubtechno met allerlei borrelende levensvormen, na mutaties ontsnapt uit Monolake’s ‘Gobi The Desert ep’. Clicky abstractie domineert A2 voordat het in een stuiterend ballenbad duikt, B2 kalmeert, spatieert de abstracte ritmes en duikt het water in, C1 kiest voor een schurende groove met stevige marspas richting Keulen met inventieve, rijk getextureerde techno die de Voigt-broers ook hadden kunnen maken, mits een sigaar van een goed jaar. D1 lijkt een werf op te starten met een ritmisch goed op elkaar afgestemd bouwteam – ondergronds beginnend uiteraard. C2 stapt doorheen stofwolken en filtert groovy minimal, D2 creëert broeierige elektronica en rondt af met Roberta’s moody pianotoets, granulair bewerkt met Arbhar.
Op korte tijd hebben DYL en Roberta zo een eigen plekje ingenomen in de abstracte polygoon tussen dub, Monolake, Autechre en de broeders Voigt in, maar met toch een eigen sound design, trouwens in niet geringe mate mee uitgetekend met (ook hip gedesignde) semimodulaire synths als Ciat-Lonbarde en Lorre-Mill Double Knot.
Na enkele platen op 50 Weapons, Ostgut Ton en het eigen TFE lokte Dkmntl Shed in haar kelder voor ‘Rave Echoes’. René Pawlowitz’s achtste lp onder die naam opent met een knorrige bas, diep in de mix gelegde low-pass kicks en snedige high-pass chime loops in Loot 25. Everybody versnijdt breakbeats over een grover bed zwaar gefilterd ravegruis in lage bitrate, Rave Predator kiest eerst voor wiebelige ravestep, geleidelijk overstappend naar snellere cadans. Voor Shed liever geen doorlopend dwingende vierkwartsmaten dus, ook niet in het hoekige elektro meets 2-step Password (Techno Mix), dat even later over een dubbele 2/2 doorheen een Trance mix-versie dendert: trancetech maar dan zónder commerciële ambitie, in donkere romantiek gevat, na de als seriële implosies stuiterende breakstep in het ambiented Double Scoop. Het iets lichter gestemde Taking You Home vertrekt nog even naar een strandfeestje, met de titeltrack als after tune in slow motion. Shed toont zich hiermee eens te meer liefhebber van doorgaans clever gesyncopeerde dance, stilaan klaar voor een live set op het komende, alweer scherp geprogrammeerde Dekmantel, vanaf eind juli in het Amsterdamse Bos. Content clowns niet welkom daarbij, gaf hij al aan.
Purveyor Underground Limited is het op house heads met ziel voor de roots gerichte label van Demuir uit Toronto, dat strictly vinyl only is. Geen embedded link dan ook bij deze korte review; je vindt de plaat wel in het nog overblijvende paar goeie platenzaken in het land. Byron The Aquarius warmt deze eerste verzamelaar op met vintage MPC nineties house via The Land Of The Lost, Fred P. richt zich met The Sunny Rain Drops op sferische cosmic house in funky loops, Demuir toont zich met Alone In Chicago fan van Gemini en DJ Sneak, M Squared (Michael McPherson) buigt naar Moodymann met de moody funk van Dance, en Justin Joe sluit af met een frisse jazzy piano en drumswing in AFaOA (As Far As Our Attitude). Smaakvolle house in vijf rootswise tracks, deze PUL011.
