Les Belgicains: een onmisbare schakel in de (wereld)muziekgeschiedenis
RE:introducingMarc Goossens — 12 juli 2026
Gejuich weerklonk in de daMusic Towers, toen een paar maand geleden het nieuws binnenkwam dat het fenomenale ‘Les Belgicains – Na Tango Ya Covadia 1964-1970’ een opvolger zou krijgen. Stoelen en tafels gingen meteen aan de kant en ramen en deuren werden wagenwijd opengegooid, waarna de voltallige redactie zich fluks in zijn kleurrijkste kleren hees en het op een dansen zette…

Twee jaar na het heerlijke eerste deel komt platenlabel Covadia ons dus verblijden met een al even verrukkelijke tweede aflevering van dit erg bijzondere en mooie muzikale verhaal uit de jaren zestig. De piepjonge, onafhankelijke republiek Congo begon in die tijd zijn zonen uit te zenden: jongemannen met potentieel, voorbestemd om het vaderland op te stuwen in de vaart der volkeren, kwamen zich aan de universiteiten van Leuven, Luik en Brussel voorbereiden op de leidinggevende functies die hen thuis wachtten. Maar behalve studeren had de toekomstige elite van Congo nog andere bezigheden.
Zo deden ze wat veel mensen doen wanneer ze zich voor langere tijd "in den vreemde" bevinden: ze zochten elkaar op, en probeerden een soort van gemeenschapsgevoel te creëren. Bevorderlijk voor die verbondenheid waren natuurlijk de feestjes die op touw werden gezet, en daar hoorde vanzelfsprekend muziek bij. Van thuis hadden ze weliswaar een pak vijfenveertigtoerenplaatjes meegebracht, maar omdat er dan altijd iemand de pineut was en de hele avond het ene schijfje na het andere op de platenspeler moest pleuren (en de “flow” telkens onderbroken werd), besloten heel wat van deze Belgicains zich te verenigen in amateurorkesten. Zo konden ze hun nummers zo lang maken als ze zelf wilden.
Deze episode zou al lang zijn opgeslokt door de nevelen des tijds, als in diezelfde periode ook niet ene Nikiforos Cavvadias was aanbeland in Brussel. Deze melomaan met Griekse roots was in Congo meer dan tien jaar lang de bezieler geweest van het platenlabel Ngoma, dat heel wat inlandse muzikanten een fikse duw in de rug had gegeven en kon bogen op een indrukwekkend archief. Maar omdat de grond hem sinds de onafhankelijkheid - én door de op til zijnde machtsgreep van Mobutu - te heet werd onder de voeten, koos hij eieren voor zijn geld en nam hij de wijk naar ons land.
In Elsene, niet ver van de Naamsepoort, bloeide sinds de jaren vijftig een levendige clubscene, waar de Afrikaanse studenten in ons land naartoe gingen voor een avondje vertier, maar ook voor een pittige politieke discussie. Zo weten we dat bijvoorbeeld Mobutu Sese Seko en Patrice Lumumba vóór de onafhankelijkheid geregeld een bezoek brachten aan Le Baninga. In die club werden ook af en toe optredens georganiseerd, maar wie echt de vinger aan de pols wilde houden, ging naar Les Anges Noirs, even verderop.
Niki Cavvadias werd al snel een frequente bezoeker van Les Anges Noirs. De club trok een gemengd, internationaal publiek, met veel muziekliefhebbers uit Congo, maar ook uit andere Centraal- en West-Afrikaanse landen. Er traden niet alleen gerenommeerde beroepsorkesten op, maar ook onze studentenorkesten kregen er meermaals de kans zich te tonen aan het publiek. Om hun composities - waarin echo’s weerklonken van de eigen volksmuziek, van Latijns-Amerikaanse ritmes en van de toen in opmars zijnde rock-‘n-roll - te bewaren voor het nageslacht, richtte Cavvadias in Brussel een nieuw label op: Covadia. De opnames vonden vaak plaats in Studio Madeleine. Daar slaagde geluidstechnicus Roger Verbestel er als geen ander in, door een uitgekiende microfoonplaatsing, de enorme dynamiek van deze muziek (met zijn vaak scherpe en luide geluidspieken van percussie en gitaar) op een “propere”, uitgebalanceerde manier vast te leggen.
Omdat platen maken en uitbrengen destijds ook al veel geld kostte, hadden niet alle orkesten het geluk het tot de opnamestudio te schoppen. Er waren dus nog wel meer bands actief dan de zes namen die we zien op de hoezen van de twee delen. Het oudste orkest op de twee verzamelaars is Yéyé National, dat in de zomer van 1964 in Brussel werd opgericht door gitarist Jean-Pierre Nimy Nzonga, en Europese yéyé-gitaarpop en rock-‘n-roll vermengde met rumbaritmes. Jean-Pierre Nimy zou later nog als historicus en musicoloog in eigen land een standaardwerk schrijven over de Congolese muziekgeschiedenis.
Ook in die band: Louis Maxime Mongali (aka Maxime Mongali, Max Maxime of Idi Mane), die later geregeld zou botsen met het Mobutu-regime, en rumbazanger Antoine Bokito (beter bekend als Tony Dee). Deze laatste trad ook nog toe tot het in Luik opgestarte Los Nickelos. Deze rumbaband, opgericht door aanhangers van Patrice Lumumba, was misschien wel de populairste van allemaal, en had ook heel wat invloed op latere orkesten, zoals het legendarische Zaïko Langa Langa. Net als Ebuka Ebuka – met muzikanten die in de jaren vijftig als Dynamic Jazz al muziek maakten in hun thuisland - dreven Los Nickelos het tempo van hun muziek steeds verder op, en bereidden ze zo de weg voor latere, opzwepende dansmuziek als soukous.
Bij Afro Negro, dat rumba lustig mixte met Dominicaanse merengue en Cubaanse chachacha, zat ene Jean Nguza Karl-i-Bond achter de drumkit. Hij kende na zijn terugkeer in zijn thuisland een politieke loopbaan met ups en downs. Hij werd Minister van Buitenlandse Zaken (onder Moïse Tsjombe en onder Mobutu) en schopte het zelfs twee keer tot premier, maar viel ook geregeld uit de gratie, waardoor hij vaak moest onderduiken in het buitenland.
Ba Bolingo experimenteerde met Congolose rumba en zwoelere Latijns-Amerikaanse ritmes, en nam zelfs een nummer op dat was gecomponeerd door Nico Gomez, de vader van Raymond van het Groenewoud. Over Ekebo is veel minder geweten. Verondersteld wordt dat dit orkest niet zo lang actief is geweest als de andere collectieven. In de Covadia-archieven werd slechts één nummer teruggevonden, dat verscheen op het eerste volume.
Het buitenbeentje op de twee compilaties is Carlos Lembe (geboren als Charles Lembé). Hij was afkomstig uit Kameroen, en timmerde in de jaren vijftig al aan de weg als beroepsmuzikant in clubs in eigen land. Hij tekende een contract bij een grote Franse platenmaatschappij, en had al enkele releases op zijn naam toen hij omstreeks 1964 orkestleider werd in Les Anges Noirs. Zijn geraffineerde, jazz-getinte mix van Afro-Cubaanse ritmes en melodieuze West-Afrikaanse afrofolk verraadt ook dat hij een meer dan gemiddelde muzikale opleiding had genoten.
Alles bij elkaar werden er voor Covadia een zestigtal nummers opgenomen, waarvan er dertig daadwerkelijk verschenen als single. Eén van die singles kwam enkele jaren geleden terecht in de collectie van de Mechelse vinylverzamelaar Steve Van Acker. Hij was niet alleen geïntrigeerd door de muziek, maar ook – en misschien nog meer – door het voor hem tot dan totaal onbekende platenlabel. Hij begon een speurtocht, die hem uiteindelijk leidde naar Paul Cavvadias, de zoon van Niki. Als componist en muzikant was die in de voetsporen getreden van zijn vader, maar nog belangrijker: hij had de nalatenschap van zijn vader zorgvuldig bewaard.
De twee doken in de Covadia-archieven en diepten daar in eerste instantie twaalf parels op, die door Dan Lacksman (bekend van de Brusselse band Telex) grondig werden opgeblonken en digitaal geremasterd voor het eerste deel van ‘Les Belgicains – Na Tango Ya Covadia 1964-1970’. Door het grote succes (uiteraard niet in termen van hitparadesucces, maar wel bij de verzamelaars en de fijnproevers van deze soort muzikale delicatessen), verscheen eerder dit jaar het tweede deel.
Met de release van deze compilaties onttrokken Van Acker en Cavvadias een onderbelicht aspect van onze postkoloniale geschiedenis aan de vergetelheid. Maar dat is uiteraard niet de enige verdienste van deze twee verzamelaars. Hoewel Les Belgicains gemeenzaam worden omschreven als amateurorkesten, gingen ze niet bepaald amateuristisch te werk. Sommigen onder hen hadden voor hun komst naar België in eigen land dus al de nodige muzikale ervaring opgedaan, en speelden daar al samen met grote namen uit de Congolese muziek.
Veel belangrijker is echter de muzikale erfenis van Les Belgicains. Niet al deze studenten keerden zomaar terug naar het vaderland om daar deel uit te maken van de elite. Een aantal onder hen keerden zich zelfs af van de politiek in Congo, zeker na de machtsovername door Mobutu, of hadden zodanig de smaak te pakken dat ze ervoor kozen verder te gaan in de muziek. En ook al gaat het maar om een – in tijd én plaats – eerder beperkte episode, de invloed van deze orkesten op latere Congolese artiesten is onmiskenbaar. In dat opzicht is het verhaal van Les Belgicains een onmisbare schakel in de ontwikkeling van de Congolese muziek in het bijzonder, en van de wereldmuziek in het algemeen.
Hoezeer ze onderling ook van elkaar verschillen, één ding hadden deze gezelschappen wel met elkaar gemeen. Enerzijds koesterden ze de (volks)muziek uit hun thuisland en wilden ze die uitdragen in de wijde wereld, anderzijds waren ze ook niet doof voor andere muziekstijlen die ze in Europa leerden kenden, en probeerden ze ook mee te gaan in nieuwe, opkomende muziek- en modetrends om die te integreren in hun verhaal.
Maar het àllerbelangrijkste is natuurlijk dat dit twee platen boordevol sprankelende, opwindende en hoogst aanstekelijke muziek zijn, uit een tijd dat je nog niet als een dwaas met pek en veren werd bedekt omdat je Grote Verwachtingen en Goede Hoop durfde te koesteren. Deze twee delen van 'Les Belgicains - Na Tango Ya Covadia 1964-1970' zijn dus ook in dat opzicht méér dan welgekomen in deze barre tijden...
