Elke tijd zijn relikwieën
AchtergrondTom Wouters — 10 november 2008
Wie zichzelf fan wil noemen, moet aan heel wat voorwaarden voldoen. Je moet minstens de intentie te hebben om ooit al de platen te kopen die die artiest heeft uitgebracht, inclusief de obscure bootleg waarop te horen is hoe hij zichzelf onderkotst in D mineur of een gewaagde ABBA-cover ten berde brengt. Bovendien moet je zelfs, of misschien vooral, die zeldzame parel koesteren als ware het de heilige Graal zelve. Elk tijdperk zijn relikwieën.
Ik beschouw mezelf als een fan van Daniel Johnston, ook al beantwoord ik niet helemaal aan de definitie. Toch is er in mijn cd-rek zelfs een plaatje van Danny & the Nightmares te vinden, het hobbyproject van Johnston en een stel ongewassen tieners. Het klinkt zo erg als een hobbyproject dat je hoopt dat ze snel een andere hobby vinden. Daarnaast ben ik bekend met de ongelukkige geschiedenis van de artiest, grotendeels via de documentaire ‘The Devil And Me’. Het enige wat nog ontbreekt voor ik mijn eigen museum kan openen is een tekening van Daniels hand. Zijn met viltstift ingekleurde tekeningen van superhelden gaan voor minimum vierhonderd dollar de deur uit. Zo’n rijke fan ben ik nu ook weer niet.

Volgende week staat hij dan op de Nachten. Reikhalzend zou ik er naar uit moeten kijken. Al zijn albums nog eens uit de kast halen, inclusief die met The Nightmares, en hopen dat hij daar niets van speelt. De teksten uit mijn hoofd leren, zodat ik na de eerste zin tegen de mensen rondom kan zeggen: “Dit ken ik!”, begeleid door enthousiaste kreetjes.
Hoewel het klinkt als dolle pret, zal ik er niet zijn op het optreden. Buiten mijn pleinvrees ben ik van mening dat Daniel Johnston geen liveartiest is. Zo blijft hij tegen wil en dank voornamelijk optreden met een gitaar, terwijl zijn meest legendarische nummers op piano geschreven zijn. De man wil per se de rockartiest uithangen, en in zijn wereld hoort een piano daar geen hoofdrol in te spelen.
Maar er is nog iets wat me ervan weerhoudt naar Antwerpen af te zakken. Nee, niet de Antwerpenaren zelf, maar het feit dat de songs van Johnston allemaal intieme, doodeerlijke songs zijn, die live voor een onevenwicht tussen artiest en publiek zouden kunnen zorgen. Ik zie het al voor me: een zaal vol ongeïnteresseerde, artistiekerige puberyuppen die wel van het fenomeen Johnston gehoord hebben en nu, als ware er een freakshow in de stad, wel eens willen zien ‘what the fuzz is all about’. Zij krijgen dan plots een nogal pathetisch aandoende dikkerd te zien die geen gitaar kan spelen en liedjes zingt met teksten zoals ze die dagelijks op hun anonieme poëzieblog publiceren. Ze zullen denken dat het een grap is.
Nu ben ik er de man niet naar om te zeggen dat het ze het gewoon niet zullen snappen – dat klinkt me te artistiek verantwoord – maar ik denk dat je voor een concert van Daniel Johnston toch eerst wat voorkennis van de man moet hebben. Je zou op zijn minst ‘The Early Recordings’ een paar keer beluisterd moeten hebben. Je zou je daarna aan het ondoordringbaar zware meesterwerk ‘1990’ moeten wagen, en om af te sluiten (dan is het zwaarste deel al achter de rug) ‘Fun’, zijn enige major label-release, moeten luisteren. Een of twee liedjes op MySpace volstaan niet, neem dat maar van mij aan. En toch zullen de meesten zich zo voorbereiden. Toch zal minstens tachtig procent van het publiek Johnstons oprechtheid als gênant ervaren en er achteraf lacherig over doen, om dan snel naar het volgende concert te hossen, zodat ze genoeg materiaal hebben om over te kunnen bloggen.
Ik hoop dat ik ongelijk heb, dat Johnston de staande ovaties aan elkaar rijgt, dat het publiek hem dezelfde warmte kan geven als hij met zijn muziek heeft gedaan. Zo horen concerten nu eenmaal te werken. Toch wil ik niet de proef op de som nemen. Ik zal me wel bezighouden met al zijn albums nog eens uit de kast te halen, inclusief die van The Nightmares, en mijn eigen privéconcert te houden.
