Willie Nelson - Red White & Blues

, 2 juli 2018

Willie Nelson... Aan de andere kant van de grote plas is het een naam als een klok. Samen met andere grootheden als Johnny Cash, Kris Kristofferson en Waylon Jennings vond hij in de jaren '60 de country opnieuw uit. Weg met de washboards, fiddles en steel guitars, en laat de bas maar pompen en de gitaren maar grommen. Van alle outlaws of highwaymen was Willie wel de stroperigste, en zijn grootste hit in Europa -  een duet met Julio Iglesias: To All The Girls I've Loved Before - is zo mierzoet dat menig diabeet er reeds bijna aan bezweek. Dergelijke pekelzonden bedekken wij echter graag met de mantel der liefde als wij 's mans betere werk horen. Wat hij te kort heeft aan brute kracht maakt hij goed met geestige, clevere songs en schrijnende ballads. Natuurlijk kan er geen countrymuziek bestaan zonder gestorven honden, zeurende vrouwen, lonkende einders, louche bars en eenzame vreemdelingen, kortom: het Amerika van eenieders dromen, dat sinds Bush in een stoffige vergeethoek is geraakt. Nelson vat dat gevoel altijd prachtig in woord en muziek. Dat Willie een echte Amerikaan is blijkt al als hij opkomt: stetson en boots, rood-wit-blauwe gitaarriem, en een immense Texaanse vlag op de achtergrond. Hij draagt zijn leeftijd met stijl: pezig lijf, pretlichtjes in de ogen, en dezelfde korte baard en lange vlechten waar hij al honderd jaar mee in het collectieve geheugen gegrift staat. Een enthousiaste zaal onthaalt Willie en zijn vijfkoppige band erg warm. Na een paar countrydeuntjes volgt het eerste herkenningsapplaus voor Maybe I'm Crazy. Hoewel Willie zich lijkt te amuseren en zich al eens aan een iets sneller countrybluesje waagt, begint het toch allemaal vrij routineus. Soms klinkt het vrij jazzy, soms rock-'n-roll, soms mariachi-stijl. Willie beult zijn afgeleefde gitaar nog verder af. Niet elke noot hoeft even juist te zijn. De band kleurt toch netjes binnen de lijntjes. Na de voorstelling van de band mag Willie's zus even honky-tonk spelen op haar piano en dat is zowat de enige inbreng van de familie in het hele "Willie Nelson and Family"-gebeuren. Wij zitten te wachten op de eerste "yee-haw" vanuit het publiek, dat zich echter jammer genoeg beperkt tot beleefd meeklappen. Ondertussen heeft Willie zijn hoed verruild voor een rode bandana zodat hij met recht en reden mag zingen over Bobbie McGee, hoewel dat toch niet echt weet te ontroeren. Krakers als On The Road Again, Mama's Don't Let Your Babies Grow Up To Be Cowboys en Angel Flying Too Close To The Ground, Georgia on My Mind en Good Hearted Woman passeren de revue, en tijdens Always on my Mind vergeten we even dat dat ooit door iemand anders gezongen werd. Bij Jambalaya gaat de eerste bandana het publiek in, er zullen er nog een drietal volgen. Toch is het pas vanaf de nummers van de nieuwe CD dat het routineuze doorbroken wordt. De nieuwe nummers klinken fris en tijdloos, en op dat elan gaat Willie door tot de laatste nummers. Daarna neemt hij uitgebreid de tijd om de fans een hand te geven en alles wat hem toegestopt wordt te signeren. Na een goed anderhalf uur zit het er op en blijven wij met een gelukzalige grijns achter, niet in het minst om het erg geestige You Don't Think I'm Funny Anymore. Toch denken we dat Willie's muziek beter tot zijn recht zou komen in een rokerige bar waar oude cowboys bij sterke whisky verhalen over the good ole' days bovenhalen, om daarna hun pick-up door de badlands huiswaarts te jakkeren. Yee-haw!

8 november 2008
Stefaan Van Slycken (Foto's: Stefaan Van Slycken)