We Are Open 2015 - Stiefbroertje

, 2 juli 2018

De zaterdag lijkt wel het verstoten stiefbroertje van We Are Open, want waar het op vrijdag over de koppen lopen was, bleek dat helemaal niet het geval op de tweede dag, waar duidelijk geopteerd werd voor iets aggressiever werk. Ons deerde het niet. Er viel ook op zaterdag meer dan genoeg genoeg te smikkelen.





Lange avonden moet je vroeg beginnen. En dus togen wij op een ongewoon uur naar Muziekcentrum TRIX. Want daar speelden iets na zevenen Scrappy Tapes. En die bleken het zeker waard om de zaterdagavond-voor-de-buis achter je te laten. De deltabluesrock - denk Black Keys versmolten met Two Gallants - van dit duo is zeker niet doordeweeks. Vooral omdat ze bij die muziek ook nog eens puike nummers hebben geschreven.

Het leuke aan dit duo is dat je steeds weer op het verkeerde been wordt gezet. Net als je denkt dat je het ritme door hebt, blijken ze alweer een drassig zijpaadje ingeslagen te zijn. Dat heeft te maken met het eigenzinnige drumwerk van Matthias Van Snick, die voor elk nummer wel een eigen drumschema lijkt te hebben opgesteld, maar evengoed kan het aan zanger-gitarist Jochen Degryse liggen, die dan weer net een versnelling hoger heeft geschakeld of is overgestapt op slidegitaar waar je dat niet verwachtte.

Wij onthouden een wild No Direction of een mooi Let It Shine, maar werden eigenlijk gewoon nooit teleurgesteld. De zaterdag kon niet beter beginnen.

Piquet was uit een ander soort staal gegoten. Het discopakje van zangeres Lien Moris zette je ook op de verkeerde voet. Want deze muziek was tegendraads, even koppig als een kater na een nachtje doorzakken en daarenboven waren de teksten ook nog eens Nederlandstalig en toch ook een beetje vreemd (Was dat een song over een Parkiet?).

Dit groepje is nog jong. Dat bleek al uit het feit dat Moris voortdurend op haar onderlip beet als ze zich concentreerde, maar het nam niet weg dat de passie hoog oplaaide tijdens de set. Drummer Mattias Jonniaux ging tekeer als een jonge Dave Grohl, gitarist Jan Viggria verloor zichzelf in zijn koppige, dwarse gitaarlijnen en bassist Senne Driesen hield zich netjes op de achtergrond, verstopt achter een overdosis haar en onder een hoodie. Maar als ze samen het gaspedaal indrukten, voelde je wel de goesting van het podium druipen. Hier een streepje Pavement, daar een tikkeltje Modest Mouse, maar evengoed een snuifje vroege Gorki (ook, maar niet alleen vanwege die Nederlandstalige teksten). Hier zachtjes prevelen, daar gillen als een toverkol, het zat er allemaal in en het smaakte naar meer.

Af en toe liep het een tikkeltje scheef, maar met de dwarse, gepeperde songs en de juiste instelling komt het ongetwijfeld helemaal goed met dit Piquet.

Het duistere alter ego van Ian Clement heeft zijn singer-songwriterkant weer aan de ketting in de kelder gehangen en het flanellen hemd opnieuw uit de kleerkast gehaad om zich nu weer helemaal te laten gaan op zweterige stoner. En daarvoor heeft hij een vehikel, dat onder de naam Wallace Vanborn niet alleen uitstekende platen maakt, maar die ook nog eens onverbloemd weet te vertalen naar het podium. Stramme nekspieren en suizende oren zijn het gevolg.

De logische opener Supply And The Damned werd gevolgd door een nog dieper gravend A Bee And A Buzz, dat in al zijn kracht uiteenspatte. Het bijna poppy Cougars was aanleiding genoeg voor Clement om zijn gitaar te doen kraaien, maar het was in Welcome To The Wastelands dat de potige, ruwe sludge pas echt straalde.

Soms werd er sereen gestart, zoals in Regenerating Mantra, maar je kon er vergif op nemen dat ook die song zou eindigen in religieuze waanzin. En Clement was dan de nieuwe heiland. Uiteindelijk zou de instrumentale afsluiter Cowboy Pandas Revenge nog een keer bewijzen waarom Wallace Vanborn zo uniek zijn binnen ons muzieklandschap. Vuurwerk is wat Trix wilde, vuurwerk is wat Trix kreeg.

Met RAKETKANON was het toch een beetje afsluiten in mineur. Wij zagen het gezelschap al zalen in vuur en vlam zetten, zagen Pieter-Paul Devos zichzelf aan de voeten van zijn publiek gooien. En hoewel ook nu af en toe de zweep van dit kwartet striemend neerkwam, waren er te veel momenten van afwachten om een blijvende indruk te maken.

O jawel, Devos gooide zich uiteraard een paar keer op de handen van het publiek (nadat hij hen vroeg om wat dichter bij elkaar te gaan staan) en de songs zaten er een paar keer perfect op, maar de man die het beste van Mike Patton en Henry Rollins in zich verenigt, te gekke dingen uit zijn microfoon weet te toveren en zonder blikken of blozen pronkt met zijn spierballen kreeg dit keer geen lijn in het optreden van zijn band.

Heeft het te maken met de nieuwe songs, waarin de luisteraar iets vaker adem wordt gegund? Misschien, maar dat zal de plaat moeten uitwijzen. Misschien zit de show met die nieuwe songs ook nog niet genoeg in de vingers om echt de lucht uit je longen te zuigen. We laten hen dan ook nog even het voordeel van de twijfel.

15 februari 2015
Patrick Van Gestel