UB40 - Alles komt (helaas) terug

, 2 juli 2018

Engeland 1978; de werkloosheid rijst de pan uit; Thatcher houdt lelijk huis; … En UB40 maakt met ‘Signing Off’ een plaat waarin zij hun kritiek en frustraties kwijt konden en waarmee wij kennismaakten met reggae en ska. Brussel 2017; de werkloosheid…; enfin, u kent het verhaal. De plaat mag er nog steeds zijn. Over het concert van UB40 zullen de meningen ongetwijfeld verdeeld zijn.

Het staat buiten kijf dat in de bijna veertigjarige carrière van UB40 niet alles even boeiend is. Nadat ze zich een paar platen lang min of meer strikt hielden aan de reggae-standaard, werd overgeschakeld naar muziek voor de hitparade, waarvan zij al mochten proeven met Food (For Thought). Maar de wereld lag pas echt aan hun voeten met de hits die later volgden. Toen wij een jongedame enthousiast Red Red Wine hoorden zingen bij het aanschuiven aan de zaal, vroegen we ons al af of we hier wel goed aan deden.

Maar ‘Signing Off’ blijft echt een prima album, waarvan het spelplezier – als je goed luistert, hoor je zelfs de vogeltjes meezingen – afspat. En dan zwelgen wij al eens graag in een poel van nostalgie. Kanttekening daarbij is uiteraard dat het UB40 van toen niet meer het UB40 van nu is. Rechtszaken, personeelswissels en meer hebben ervoor gezorgd dat de aanblik en de output - een countryplaat in godsnaam! - grondig veranderd is.

Maar luilekkere songs Tyler en King, waarin de maatschappijkritiek niet gespaard wordt, bleven toch min of meer overeind in de Ancienne Belgique. Zanger Duncan Campbell heeft niet de stem van zijn gedeserteerde broer Ali, zelfs niet met de hulp van zijn andere broer en gitarist Robin, maar kan alvast wel de bijhorende grimassen trekken. In die twee songs zat de mix trouwens jammer genoeg nog niet helemaal goed en werden de ingewanden nog grondig door elkaar geschud door de bas van oudgediende Earl Falconer.

Verderop kwam dat dan weer wel goed met een puik Burden Of Shame tot gevolg inclusief enkele skaritmes als naweeën. Ook in instrumental Reefer Madness, één van de songs die op de bij de originele lp gevoegde maxi-single – ja, dat heette toen nog zo - stonden, werd gretig gesmuld van de ska.

Veel effect had dat allemaal niet op een publiek dat, op enkele uitzonderingen na, het geheel nogal lethargisch onderging. Even was er wat deining bij King, maar echt openbarsten deed het pas in Food (For Thought), toen er plotseling wel werd meegezongen en volop gedanst. Het was toen al lang duidelijk dat dit publiek gekomen was voor de greatest hits-collectie, niet voor ‘Signing Off’. De zucht van verlichting die door de zaal ging toen Robin Campbell het titel- en tegelijk laatste nummer van die plaat aankondigde, was bijna tastbaar.

Maar daarna werd het niet echt beter. Het niveau van de songs ging er niet op vooruit, ook al omdat songs als Come Back Darling en het door bassist Falconer met hoog stemmetje gezongen Baby aan deze kant van de Noordzee slechts matig konden scoren. Bovendien maakte de versie van I’ll Be Your Baby Tonight, toepasselijk opgedragen aan oorspronkelijke zanger Robert Palmer, vooral duidelijk dat Duncan Campbell echt een beperkt vocalist is.

Ja, er werd meegezongen en -gewiegd met Cherry Oh Baby; ja, Red Red Wine werd volop meegekweeld; en ja, ook in de bissen was er ruimte voor het publiek gelaten in Kingston Town. Maar het overtuigde zelden en kon de show op geen enkel moment (nog) redden.

Alles komt terug. De situatie van in 1978 is er dezer dagen zeker niet op verbeterd. Integendeel zelfs. En dat geldt ook voor UB40.

9 februari 2017
Patrick Van Gestel