ToutPartout labelnight Topspits beslist zwakke match

Botanique, Brussel
ToutPartout labelnight
Tout Partout bestaat twintig jaar, en één dag volstaat niet om dat te vieren. Met The Black Heart Procession en Phosphorescent beloofde zondag 29 november niets dan goeds, maar het programma kon die verwachtingen niet altijd inlossen. Erger nog, want zonder Phosphorescent was het ToutPartout-beest op zondag zelfs eerder mager uitgevallen.


Deer Tick beloofde ons country en grunge te combineren, en dat klonk interessant. Aanvankelijk konden wij de band dan ook smaken. Het viertal zag er zo verscheiden uit dat we ons niet kunnen voorstellen hoe ze ooit bijeen geraakt zijn. Zanger John McCauley schuurde met zijn rauwe stem zijn hele zangregister af en leek tijdens de bindteksten wel een tachtigjarige die te veel Groene Michels heeft gerookt, terwijl de bassist met pastoorallures waarschijnlijk vaste Bob is tijdens het touren.

Intussen kabbelde de muziek verder. De ritmesectie was niet zo goed geïntegreerd in de nummers, en hoewel een stukje a capella voor een leuke afwisseling zorgde, ging de set niet echt naar een hoogtepunt. 'Kabbelen' was eigenlijk het goede woord.

Het concept van de Botanique verplichtte ons vervolgens te pendelen van de Rotonde naar de Orangerie, waar we Lightning Dust aan het werk zagen. Het viertal bestaat uit twee koppels, van wie de vrouwelijke helften de zang voor hun rekening nemen. Leadzangeres Amber Webber heeft dan wel een dijk van een stem met een al dan niet aangename vibrato in, maar de goede nummers en kwalitatieve arrangementen had de band op de keukentafel laten liggen. 

Wat bij Deer Tick nog aangenaam kabbelen was, werd bij Lightning Dust eerder stilstaand water. Eentonige nummers, een veel te goede gitaar in verhouding met de vier akkoorden die Webber wat onhandig speelde, een resem fouten op piano en drum, een set die niet meteen ergens heen ging en tot overmaat van ramp enkele valse zangnoten deden ons de zaal wat vroeger verlaten. “Put me back where I belong”, was de eerste zin van hun set. Met alle plezier.

Over naar Martin Dosh. De elektronische knutselaar zat lekker gezellig in de Witloofbar tussen vier instrumentale muren. Met een drum op links, een piano achter zich en wat mengpaneeltjes, pedaaltjes en keyboards voor hem fluisterde hij ons experimentele geluidsgolven van het betere type toe. We konden lekker languit genieten in een zetel en het fascineerde ons wel hoe deze Amerikaan zijn nummers samen kneedde. Al komt de muziek wellicht beter tot zijn recht op plaat, als al dat technisch heen-en-weer-gehuppel niet door je ooghoek passeert.

Tijdens de mélange van artpop, krautrock en shoegaze van de rockende vijftigers van Githead spookte de geest van het derde album, ‘Landing’, door de Rotonde. Het bewoog de band rond Wire-kopman Colin Newman tot een gloeiend hete set. Behalve de krautkaart trok een geamuseerd Githead trouwens ook oude en nieuwe azen, en daarmee bewees het definitief het Wire-juk van zich afgegooid te hebben.

En dan schoot Tout Partout zijn eerste grote kanon leeg met The Black Heart Procession. Erg veel zat er echter niet in de loop, want na het eerste sterk gebrachte nummer vergleed de set wat in routine. De band speelde natuurlijk strak en proper, en meneer Jenkins en de zijnen hebben geweldige platen - denk maar aan The Letter. Maar dat is misschien net het probleem. Het leek alsof de band niet alleen op automatische piloot speelde, maar ook alsof die piloot er bovendien geen zin in had.

We stoorden ons trouwens ook wat aan de al te clichématige teksten. “I like to suicide”, “It’s the devil in me” of “I found heaven in hell” zijn slechts een greep uit het duivels-goddelijke aanbod. En wanneer een naïef meisje op de eerste rij op “This song is called drugs” reageerde met “Yeaah, drugs”, wisten we weer wie het steeds weer oneens is met onze recensies.

Ten slotte verlieten wij goed op tijd de Orangerie om een mooi plekje te bemachtigen tijdens Phosphorescent. De Amerikaanse singer-songwriter is eigenlijk gewoon een Engelstalige kleinkunstenaar. Hij zingt met gitaar in de hand, beschikt over een geweldige frasering (denk maar aan A Picture Of Our Torn Up Praise), schrijft prachtige teksten en heeft een baard. Bovendien is hij ongemeen authentiek, en welke kleinkunstenaar is dat niet…

Misschien was hij deze keer niet altijd even sterk als de vorige keer dat we hem zagen, maar nummers als Wolves of Reasons To Quit maken steeds weer een verpletterend intieme indruk. Matthew Houck pakte bovendien uit met enkele songs van Willie Nelson en was niet te beroerd om tijdens de bis in te gaan op een verzoekje uit het publiek. We kregen dan ook een prachtige versie van Can I Sleep Into Your Arms voorgeschoteld.

En toen de jongens van Deer Tick spontaan op het podium wat kwamen meeneuriën, voelden we dat Phosphorescent alleen maar respect verdient. Want topspitsen als Matthew Houck zijn er om in de zwakkere wedstrijden alsnog de volle buit binnen te halen.


December 4, 2009
Mattias Devriendt