Thievery Corporation De (bijna) perfecte overval

Thievery Corporation

Het Amerikaanse Thievery Corporation zakte met een twaalfkoppig ensemble af naar Brussel; een kleurrijke bende met een buit die qua diversiteit niet moet onderdoen voor de Marollenwijk, een boogscheut verwijderd van de AB; Naar eigen zeggen het gevolg van diefstal, al meer dan twintig jaar, uit een brede korf genres. De setlist was dan ook navenant: het gezelschap zette zoveel verschillende petjes op dat het van de hak op de tak springen ons bijna een indigestie bezorgde, al zou het dozijn eurodeals die we voor het concert naar binnen speelden daar voor iets tussen kunnen zitten. Het gejubel van een eivolle AB klonk er na afloop niet minder oorverdovend om. Least they stole the show.

"Wil de échte Thievery Corporation nu opstaan?", een retorische vraag natuurlijk, als je het oeuvre van het dj-collectief erop naslaat. Pioniers Rob Garza en Eric Hilton wisten zoveel supporting artists aan zich te binden dat de grabbelton aan muziekstijlen en -invloeden misschien wel de grootste troef van de band geworden was. Van acid jazz over reggae en funk naar hiphop tot loungy soul, met daartussenin een halte in Brazilië waar een snuifje bossa nova gehaald werd en een verdwaalde sitar representing India; multi-muzikaliteit troef. Niet slecht voor een band die gestationeerd is in het weinig exotische machtscentrum Washington D.C. 

Op het podium stond de vleesgeworden diversiteit te blinken: de coole gitarist-sitarist Rob Myers, uiteraard met opvallende zonnebril, vergastte het publiek op een virtuoze solo en percussionist Frank Orrall had met de grijze haren het aura van een gezellige nonkel die zijn vierde jeugd beleefde, zeker toen hij even de microfoon ter hand nam en tussen twee refreinen door een paar rondjes over het podium spurtte; een ingeving van het moment. Rapper Mr. Liff, een kruising tussen Outkast en de will.i.am met de dreads, nam de rol van mc op zich en deed dat met verve: met een admirabele bevlogenheid jutte hij het publiek op, al waren zijn truken van de foor niet altijd even origineel (“When I raise my fist you scream!”).

Maar de meest prominente figuur op de planken was wellicht bassist en menselijk perpetuum mobile Ashish Vyas, HASH voor de vrienden. Hoe hij met de spierwitte uitdossing, lange, wapperende, zwarte haren en karikaturaal grote passen rondzwierf over het podium; het leek wel alsof we naar een zonnedans op de prairie keken; of de arme man had een lont in de kont zitten die zou ontsteken als hij niet voortdurend in beweging was. De zwoele stem van Natalia Clavier leek gemaakt voor het soort loungy triphop waar o.a. Until The Morning uit opgetrokken is. Een handvol andere artiesten vertegenwoordigden elk een ander facet van de band. 

Voor elk wat wils dus en bijgevolg was de zaal volgelopen met een allegaartje aan mensensoorten. Daarin zit misschien wel het grootste pijnpunt van de band: een eigen identiteit kweken is moeilijk als je zoveel verschillende genres verenigt. Want wat is Thievery Corporation nu meer dan een ordinaire dievenbende met een gespleten persoonlijkheid, vraagt u zich af. Een existentiële kwestie waar het AB-publiek lak aan heeft.

Wij zagen de hele zaal grooven op de stoere hiphop van Ghetto Matrix of als doorwinterde Rastafari’s meewiegen op de reggaebeats van True Sons Of Zion. Al maakten wij ons de bedenking of diezelfde mensen de meer gezapige elektronicavibes evenzeer kunnen smaken. De oosters georiënteerde triphop van grootste hit Lebanese Blonde is een eeuwige crowdpleaser, maar zou het enthousiasme blijven standhouden naarmate de "beats per minute" afnemen? De zwoele lounge van La Femme Parellel bijvoorbeeld, zo smooth dat de rapliefhebbers van even daarvoor dreigden in te dommelen in de zachte armen van LouLou Ghelichkhani, een Iraanse raised in Paris. 

Dat Thievery uit heel diverse vijvers vist kwam ook tot uiting in de reacties. Telkens een nieuw lied aangevat werd, zagen we een ander deel van het publiek opveren. De songs volgden elkaar in sneltempo op; het was bijwijlen naar adem happen en de soms bruuske overgang van gemoedelijk naar energiek hield iedereen scherp. Af en toe doofde het vuur, toen onbekend werk uit het nieuwe album 'The Temple of I & I' weerklonk, een opus dat meer op downtempo gestoeld is. Het opzwepende Fight To Survive kreeg dan weer de hele zaal in beweging.

Na de zinderende finale volgde een rits toegiften, maar dan was de conclusie van de avond al geschreven. Wie een blik in de zaal wierp, zag kwieke hiphoppers, een horde puberende meiden, trendbewuste yuppies met hipsterbaarden en ronde brillen, een kale Standard-supporter met hangbuik en zweverige hippiehuisvrouwen; allemaal hadden ze een gelukzalige glimlach op het gezicht. Een artiest leeft enkel bij gratie van zijn publiek; en hoe Thievery Corporation zo’n diverse massa kan behagen, is gewoon mooi zonder klef te klinken. Het overdonderende afscheidsgejuich van de AB bevestigde unisono die stelling: gewikt, gewogen en goedgekeurd.


5 maart
Quentin Soenens