Robert Plant & Alison Krauss - Duizelingwekkende klasse

, 2 juli 2018

Eén van de meest opgemerkte rootsplaten van vorig jaar is ‘Raising Sand’ van Alison Krauss en Robert Plant. Rockdinosauriër versus zoetgevooisde bluegrass-zangeres: zeker geen evidente combinatie, maar ze werkt. ‘Raising Sand’ is een eigenzinnige collectie covers van uiteenlopend volk als Tom Waits, Townes Van Zandt en The Everly Brothers door sterproducer T-Bone Burnett ver boven het gemiddelde getild. Een tournee kon dan ook niet uitblijven. Wij togen na de moederdagse verplichtingen dan ook vol verwachting naar Vorst om het duo te gaan beluisteren.





Veel liefhebbers van klassieke rock hadden Robert Plant in 2008 wellicht liever een vervolg zien breien aan het reünieconcert van Led Zeppelin in plaats van op tournee te gaan met de hier relatief onbekende Alison Krauss. Afgaande op het aantal Led Zeppelin T-shirts in het publiek leken er alvast nogal wat fans voornamelijk gekomen om de rocklegende aan het werk te zien.



Nochtans schuilt het succes van ‘Raising Sand’ precies in het feit dat Plant en Krauss buiten hun eigen biotoop treden. Op de plaat is noch de akoestische bluegrass van Krauss, noch de wereldfolk en zware rock van Plant te horen, maar een hoogst eigen vorm van Americana. Dat is voor het grootste deel de verdienste van T-Bone Burnett, de legendarische producer van onder andere de soundtracks van 'O Brother, Where Art Thou?' en 'Walk The Line'. 



Zowel Plant, Krauss als Burnett stonden in Vorst op het podium. Plant en Krauss  vooraan als sterren van de avond; Burnett op gitaar wat meer op de achtergrond, maar toch duidelijk aan het hoofd van de band. Die bestond stuk voor stuk uit rasmuzikanten: Buddy Miller op gitaar, Jay Bellerose op drums, multi-instrumentalist Stuart Duncan en Dennis Crouch op bas. Van bij de opener Rich Woman (Lil' Millet and His Creoles) speelden ze op een ontstellend hoog niveau. Vooral hun samenspel was van een subtiliteit die je eerder bij een klassiek kamerorkest verwacht dan bij een elektrische groep in een concertpaleis.



Ondertussen moesten zowel Krauss als Plant zich een rol aanmeten die ze niet gewend waren. Krauss toonde dat het bij haar om meer draait dan alleen maar de haar typerende zachte, meisjesachtige stem. Bijwijlen blies ze de zaal weg met uithalen die Plant zelfs even in de schaduw stelden, zoals op The Battle Of Evermore (één van de paar Led Zeppelin-covers).  Met haar ijle, expressieve stem kreeg ze op andere momenten iedereen stil, zoals tijdens Sister Rosetta Goes Before Us (Sam Philips). Het spookachtige Trampled Rose (Tom Waits) was fenomenaal. Koude rillingen op een bloedhete avond.



Robert Plant van zijn kant, van nature de ultieme frontman, kon zich moeiteloos inpassen in het geheel. Hij schakelde vlot over van leadzang, zijn versie van Nothin’ (Townes Van Zandt) ging door merg en been, naar een wat bescheidener rol in het achtergrondkoor. Hij hield zich ook tijdens relatief ingewikkelde harmoniepartijen goed staande, zoals op de a capella traditional Down In The River To Pray. Het viel op hoe goed de stemmen van Krauss en Plant bij elkaar passen.   



Het perfecte optreden bestaat niet, maar veel dichter dan wat Robert Plant, Alison Krauss, T-Bone Burnett en gevolg in Vorst presteerden, kunnen we aan deze kant van het hiernamaals niet raken. Nog maar zelden meegemaakt.

8 november 2008
Bram Beelaert