Pukkelpop 2017 Dag 2: tussen regen en zonneschijn

Festivalterreinen Kiewit, 16 augustus 2017 - 19 augustus 2017
Pukkelpop 2017

Ook op dag twee liet de regen zich niet onbetuigd en stonden de tenten vaak overvol, terwijl slechts de helft van de aanwezigen daar waren voor de act in kwestie. Het hoort er nu eenmaal allemaal bij op een festival. En muziek verzacht niet enkel de zeden, maar doet alles ook met een klontje relativiteit nemen. Over muziek gesproken, trouwens...

"The future is bright" zongen de jongens van Palace in de Club als openers daar. Het is te hopen voor hen, al is het nog wat onduidelijk wat hen moet onderscheiden van die honderden andere indiebands die de wereld willen veroveren.

Niet dat ze geen troeven hebben. Onder het mutsje van de zanger zit een brein dat leuke songs bedenkt en gitarist Rupert speelde constant op hoog niveau, maar het is gewoon nog te vroeg om echt al te spreken van een topband. Misschien kan dat na het volgende album dat er aan zit te komen. De band beloofde ook snel nog eens naar onze contreien terug te keren. Tot dan te rangschikken onder fijne belofte.

Walking on Cars staan al iets verder. Wat heet: hun album haalde in Ierland dubbel platina en dat wil wat zeggen in een land waar iedereen zingt. Ze mochten als tweede aantreden in de Marquee. Lekkere gitaren waaien ons al tegemoet en meteen valt op hoe makkelijk de nummers van dit gezelschap in het oor liggen. Het tweede nummer, Always Be With You is zowaar al goed voor een stevig publiekskoor.

Zanger Sheehy is van het type dat zich steeds emotioneel op de borst klopt en dat werkt bij het vooral vrouwelijke publiek. Bij nieuwtje Coldest Sea gaan de armen in de lucht en wordt de Ierse driekleur gezwaaid.

Misschien is het omdat het de laatste show van het jaar is voor de band uit Kerry, maar bij Ship Goes Down hellen we gevaarlijk naar de emo-kant, alleen de stevige gitaren houden de koers. De band test al een tijd nieuwe nummers uit voor een volgende plaat en trekt zich vanaf nu terug in de studio. De fans mogen dus gerust zijn: er komen nog meer meezingers aan als Speeding Cars dat uiteraard de set afsloot.

Nee, de prijs voor übercoolheid zullen ze niet winnen, maar Nordmann heeft heel wat andere troeven. In de eerst plaats zijn dat de deuntjes die ze bij elkaar hebben geschreven, flitsend van relaxt en zoet naar pittig en beladen met sfeer. En dat is precies wat ze uitstraalden in De Lift. De beloning was een volle tent, waar voortdurend verse prooien werden aangevoerd en er ook waren die deze kelk aan zich voorbij lieten gaan, maar daarvan waren er meer dan genoeg die aan de haak bleven hangen.

Je voelde de band dan ook op stoom komen. Schitterend was ook de ruimte die er gelaten werd voor solo’s; solo’s die stuk voor stuk elk van de muzikanten belichtten en die naadloos in de set werden ingepast. En de eerste rijen gingen uiteindelijk gewoon overstag en deden hun beste bonenstaakdans op de jazz-‘n-roll van dit viertal. Volgende keer als u de kans krijgt om hen aan het werk te zien, laat die kans niet onbenut. U zou het zich berouwen. Wij doen hetzelfde.

Het is algemeen bekend dat Tove Lo graag haar borsten toont bij haar shows (en ja, dat deed ze ook nu weer, naast zichzelf "down under" strelen) en haar albumhoes laat ook weinig aan de verbeelding over.

En dan vraagt een mens zich een aantal zaken af als "waarom?" En "hoe lang gaat ze dit volhouden?". Want laat ons eerlijk zijn: muzikaal is dit niet vernieuwend en slechts af en toe opwindend. Beetje stout is het wel natuurlijk, maar kijk naar Britney Spears (waarvan de Zweedse een truitje droeg) en weet hoe dit soort poezen uitspeelt.

Wie ooit in Zweden was, weet echter ook dat ze daar anders aankijken tegen bloot dan wij en een song als Moments kan best een troost zijn voor onzekere meisjes en doet vermoeden dat Tove Lo ook maar een gewone sterveling is met gevoelens en gedachten als iedereen. "I know that I'm a handful" zong ze in WTF Love Is en dan hadden we kunnen grappen "twee zelfs", maar dat deden we niet, want we snappen wel dat ze gewoon een Cool Girl wil zijn. Wel dansten we mee op Say It dat ze maakte samen met Flume en natuurlijk ook op Habits waarmee de Zweedse ons uitwuifde. Leuke meid, maar iets te stereotiep.

Over naar steviger stuf in de Club waar Parquet Courts mocht bewijzen Master Of My Craft te zijn als het over noisy punk en rammelende grootstedelijke garagerock gaat. De New Yorkers lieten er geen gras over groeien en trapten dus af met het openingsnummer van hun vijf jaar geleden verschenen album ‘Light Up Gold’, meteen gevolgd door Borrowed Time, ook al het tweede nummer van die plaat en goed voor de eerste mosh pit van de dag.

Austin Brown, een van de twee zangers/ gitaristen had zich een Jommekeskapsel laten aanmeten van waaronder hij het grootste deel van de tijd verveeld voor zich uit staarde, maar Andrew Savage deed zijn naam alle eer aan en blafte zijn teksten in de micro als was zijn tijd op deze aardkloot inderdaad al voorbij.

De meeste songs kwamen vandaag uiteraard uit ‘Human Performance’ met aan het eind zelfs zes songs op een rij uit die plaat. Eentje daarvan, One Man No City werd verdronk aan het eind in een nog grotere brij noise dan op de plaat en werd minuten lang gerokken, maar daarvoor bewezen de jongens dat het ook puntig en kort kon met een oudje als Vienna II

Veel leek er allemaal niet veranderd in New York sinds The Velvet Underground en Talking Heads, maar dat was het wat oudere en mannelijkere publiek in de Club volledig worst. En een droge worst? Die smaakt altijd, zeker met een frisse pint er bij.

Geen paarden, geen vrouwen, geen rivieren, wel te veel testosteron, leren jekkers en een overdaad aan rood haar bij The Amazons, maar wat een geluk dat er toch nog een beetje plaats werd voorbehouden voor jong gitaargeweld. Dit Engelse viertal maakte graag gebruik van de geboden kans om uit te pakken. En de regen, die zij zo goed van hun thuisland kennen, sprak hier in hun voordeel. Op die manier konden ze nog enige verdwaalde zieltjes overtuigen.

Dat overtuigen verliep nochtans niet echt van een leien dakje. De eerste paar songs waren maar flets en vertoonden weinig reliëf. Het was eigenlijk wachten tot de laatste drie nummers vooraleer de rockgeest echt in hen vaarde en wij lekkere versies kregen van In My Mind en Junk Food Forever. Het komt echt wel goed met The Amazons, als ook festivals in dit soort bands blijven geloven en zij uiteindelijk niet tussen de plooien vallen.

Ook al is het even geleden dat The Shins nog echt muzikale potten hebben gebroken, dan nog blijft James Mercer een uitstekend songwriter, die prat kan gaan op een stapel eersteklasliedjes. Op Pukkelpop leek het aanvankelijk niet vlotjes te gaan. Het geluid was dun en het geheel liep eerder stroef, maar geleidelijk aan werd het juiste evenwicht gevonden en kwam de band echt op dreef.

Gezien wij gestopt waren de band te volgen na ‘Whincing The Night Away’, was het een beetje afwachten wat de nieuwe nummers zouden geven. Maar dat bleek allemaal nogal mee te vallen. Songs als Half A Million raakten wel degelijk de juiste snaar. Soms werd er gerockt (tot en met de hamerende Little Richard-piano) in, maar evengoed kon het zachtjes aangepakt worden.

Nummers als Australia, Phantom Limb en exploderende afsluiter Sleeping Lessons werden het best herkend (en waar nodig meegehohohood), zoals verwacht. Maar dan nog bleven wij met een voldaan gevoel achter nadat The Shins het mooi versierde (smeltende doodskop als backdrop, gigantische, verwelkte(?) bloemen) verlieten. Wat zouden we dan klagen?

Het is echt toeval, we zweren het u: de naam van Britney Spears duikt hier nu al voor de tweede keer op in hetzelfde dagverslag. Eerder bij Tove Lo kwam de popprinses al te pas en ook bij Julia Jacklin moeten we het er over hebben. De Australische zag als kind Spears op de tv en wist toen ook dat ze zangeres wilde worden.

Maar Jacklin koos een totaal anders parcours en maar goed ook. De zevenentwintigjarige met de vlechtjes bracht vooral broze liedjes over volwassen worden zoals we die kenden van haar prachtalbum ‘Don’t Let The Kids Win’ en die je keer op keer lijken mee te voeren naar de dansvloer van een of ander prombal waar een jong bandje staat te spelen en jongeren wat onwennig tegen elkaar aan staan te schurken.

Nieuw voor ons was Cold Cola, een song over haar zus, die trouwens ook al de inspiratie was voor de titeltrack van haar plaat en die eigenlijk ook weer handelt over het te snel ouder worden en verantwoordelijkheden krijgen. Een thema dat ook zit in Someday van The Strokes, een song die ze live ook telkens weer covert en die ze zich volledig eigen maakte.

Soms klonken Jacklins nummers een beetje inwisselbaar, maar we hadden nog niemand zo mooi horen zingen als zij en met Coming Of Age bewezen zij en haar band dat er ook een rocker in hen schuilt. Na een duik in Pool Party was dit feest voor het oor alweer voorbij. Gelukkig wachtte er een volgend feestje van totaal ander allooi in de Marquee.

Het lijkt onbegonnen werk om steeds weer origineel te blijven, eens je een reputatie als die van  The Flaming Lips hebt opgebouwd, maar als je hen een paar keer gemist hebt, kan er toch snel van alles veranderen. De fantasie van Wayne Coyne lijkt op dat vlak onuitputtelijk. Ook nu weer had hij ons grandioos te pakken en stond je alweer met open mond toe te kijken op het spektakel.

Er waren natuurlijk de vaste bouwstenen, waarop de band terugvalt zoals de onuitputtelijke voorraad kleurrijke confetti en de ballonnen, die de tent ingestuurd worden of de aan de situatie aangepaste pakken van de bandleden (de drummers droegen de overalls van de Pukkelpop-vuilnisploeg). Maar er was meer. De gigantische robot bijvoorbeeld, tussen wiens benen Coyne Yoshimi Battles The Pink Robots zong of de vrolijk oplichtende eenhoorn waarop hij de tent doorkruiste (There Should Be Unicorns). En dan hebben we het nog niet eens over de op maat gemaakte “Fuck Yeah Pukkelpop”-ballon(nen).

En dan was er nog de setlist, die naast indiehits als Race For The Prize, ook een - weinig originele, but who cares - cover van Bowie’s Space Oddity bevatte, waarbij de ballon waarin Coyne over het publiek rolde, fungeerde als Major Toms ruimteschip. Psychedelisch, neigend naar Tame Impala nieuwe stijl zelfs, werd het met The W.A.N.D. inclusief massieve oogballen en mond. En dan was er nog de regenboog waarmee de Lips hun liefde uitspreidden over het publiek samen met de rest van de confetti. Het blijft een feest en wij zijn blij hen nog een keertje aan het werk te hebben gezien.

Hoe doen ze het toch, die drie van London Grammar? Ze tappen constant uit hetzelfde vaatje. De meeste van hun liedjes zijn helemaal niet ingewikkeld en slechts minimalistisch ingekleed met fijne elektronica en gitaarlikjes en de hoofdrol is steevast weggelegd voor de geweldige stem van zangeres Hannah Reid en toch pakken ze je elke keer bij je nekvel en raak je hun nummers niet beu.

We stonden tussen een hoop kletsnatte jongeren van een of andere jeugdbeweging die de waterhoos voor de show trotseerden om toch maar een goed plekje te hebben, elk woord van de teksten kenden en extatisch meezongen. Maar even goed zag je even verder een grijzige man met de ogen dicht staan genieten vanaf opener Hey Now tot afsluiter Metal And Dust. Zelfs bij Who Am I, een van hun mindere nummers, bleef de wei opvallend stil en respectvol.

“Die regen van daarstraks, was volledig onze schuld”, zei Reid na The Big Picture. Overal waar wij spelen, brengen we de regen mee, maar we zullen hem straks ook weer meenemen, ok?” Wie toen nog niet stond te rillen van de kou die door de kleren drong, kreeg het helemaal koud bij het wondermooie Wasting My Young Years waarop het gelukkig ook even warmdansen was.

Aan het eind bewees Reid wat een fantastisch bereik ze heeft, maar ook zij is maar menselijk, want bij Non Believer zette ze in op het verkeerde moment en toen ze haar fout opmerkte, vloekte ze alsof ze Adele was. Het werd haar vergeven en toen ze even later zei dat ze de lage noten van Rooting For You betere haalde, neerzittend op haar pianobankje, knikten ook wij haar welwillend toe.

De mooie visuals die de band meebracht kwamen maar gaandeweg beter tot hun recht toen de avond zijn donkere deken zachtjes over de wei vleide, maar eerlijk: die volgepakte wei had genoeg aan die geweldige stem die hen overspoelde in verschillende sterktes van zacht gefluister tot ferm uithalend. Wie London Grammar in het vakje van de fluisterpop en nog twijfelde of zo’n band wel op zijn plaats stond op dat grote podium, weet nu dat hij dwaalde. Gaat dat zien in december. Er zijn nog tickets voor het extra concert

De publieksprijs is intussen ook bekend. Elbow kwam, zag en stak Pukkelpop in haar broekzak. Oh jazeker, het was erover. Het was er zelfs dik over hoe Guy Garvey de tent steeds maar omschreef als “beautiful”. Hij zou het een keertje vanuit ons standpunt moeten zien. Maar tegelijkertijd was het ook echt mooi, die samenhorigheid, dat massaal samen zingen van One Day Like This. Laat ons daarvan dus gewoon genieten. Morgen kunnen we dan weer gewoon elkaar de kop inslaan.

Het moet ook gezegd dat de band opnieuw in grootse doen was. Dat had veel te maken met Garvey, die het publiek uit zijn hand deed eten en dus veel aandacht naar zich toe zoog, maar daarachter stond een groep te musiceren, voor wie elk detail belangrijk was. Hier was het immers enkel de muziek die het moest doen, in tegenstelling tot het feestje van The Flaming Lips, waarvan de sporen nog duidelijk zichtbaar waren. Meer nog: één van de ballonnen deed nu nog de ronde, met Garvey die zich even Gary Lineker waande.

En dan is er nog die nieuwe plaat, die misschien niet helemaal van de kwaliteit van ‘The Seldom Seen Kid’ is, maar toch vervaarlijk dicht in de buurt komt. Songs als Magnificent She Says, All Disco en Little Fictions, het titelnummer, doorstonden moeiteloos de Pukkelpoptest. Dan kan je toch niet anders dan spreken van een geslaagde show.

Na Julia Jacklin, London Grammar en Elbow nog zin in een alles smeltende stem, Dan stond u net als wij ook in de Club bij Sampha Sisay en liet u zich niet afschrikken door die kolos op het podium in zijn roze broek en zijn – wat was het eigenlijk? ­– witte parachute op zijn rug.

Sampha bewees nog maar eens dat urban fantastisch kan zijn als er maar met de juiste elementen wordt gespeeld. Bij deze Londenaar zijn dat grootstadssoul, zijn geweldige strottenhoofd waar een extra melancholieknobbel zit en elektro bij tijden doorspekt met stevige percussie.  

Sampha startte smachtend en croonend met songs als Under, Too Much, Plastic 100°C en die song die altijd weer iedereen naar zijn zakdoek doet grijpen: het ontroerende (No One Knows Me) Like The Piano.

Maar Sampha is meer dan een tranentrekker. Hij haalde zijn drie kompanen rond eenzelfde drumstel voor Without om samen het tempo serieus de hoogte in te flikkeren. Langzaam aan trok ieder naar zijn eigen percussie-instrument en zo werd Kora Sings naadloos aan zijn voorganger gebreid om uit te monden in opzwepende elektro.

Voor we het wisten zaten we ergens temidden van Soho of zo, in een hippe club waar 4422 (net als Too Much eigenlijk samenwerkingen met Drake) de gemoederen verder verhitte. Wie afdroop na Like The Piano mistte dus het feestje dat met Blood On Me een passend einde kreeg. Nee, dat is een beetje overdreven, maar daar “sweat on me” van. 

Toen wij De Lift binnenliepen, was de tent niet eens half gevuld, maar eens iedereen zich uit de Marquee (waar Elbow speelde) had weggerukt, liep ze toch nog goed vol. Volkomen terecht. Want Newmoon, de vaandeldragers van de Belgische shoegaze, gaf waar voor je geld. Bovendien bleken de heren bescheiden genoeg om de bewondering uit te spreken voor het Pukkelpop-publiek dat de grote namen links liet liggen om een onbenullig, Belgisch bandje bezig te zien.

Maar dat bandje doet meer dan zomaar wat aanmodderen. Het was zo mooi om zien hoe deze heren zich letterlijk dubbel plooiden, het podium in vuur en vlam zetten, nooit de schoentippen uit het oog verloren en vooral vlijmscherpe versies van de eigen songs neerzetten. Wat ons betreft, zijn de grenzen van België al lang te verstikkend voor dit vijftal.

Het is misschien allemaal niet nieuw wat zij doen, maar het wordt gedaan met zoveel inzet dat deze modderstroom je onhoudbaar meesleurt. Wij zagen dan ook heel wat aanwezigen van verschillende leeftijden de ogen sluiten en opgaan in songs als opener Head Of Stone.

“Gaat het nog?”, vroeg zanger Bert Cannaerts de meute voor de band Everything Is inzette en verder inbeukte op de vermoeide lijven. Maar zweepslagen kwamen nooit zo zoet aan als dat het geval was bij Newmoon. Even waren wij weer trots Belg te zijn.

Nog zo’n fenomeen, waarmee wij Belgen kunnen uitpakken is STUFF. Ook dat is een vijftal van internationale allure. Collega (pdc) heeft er al een tijdje (terecht) de mond van vol en wij kunnen, na dit kwintet aan het werk te hebben gezien, niet anders dan hem bijtreden.

Hoe beschrijf je dat trouwens? Want een concert van deze mannen is een uniek gegeven. Het meest in de buurt komt misschien nog een kruising van Caribou en Battles met een stevige jazzinjectie. De opstelling had veel weg van hoe Dan Snaith zijn gezelschap neerpoot: compact, bijna op elkaars schoot, terwijl de instelling van experiment en steeds wisselende invalshoeken aan Battles doen denken. Maar deze jongens komen uit de jazzwereld en dat was te merken aan de onstuitbare drang naar afwisseling.

Het was zelfs voor de stijfste hark onmogelijk om niet tenminste heen en weer te wiegen op de songs, die nu eens funky, dan weer snoeihard of streelzacht waren; en dat vaak allemaal in één nummer gebald. Tegelijk kon je met je ogen dicht verdrinken in het geheel, dat over je heen gestort werd zoals dat met de regenbuien het geval was.

Moeilijk om volgen? Wie kon het wat schelen als je niet meer wist waar een song begonnen was, als je de elektriciteit door je lijf voelde stromen. Trouwens, de band friste dan wel je geheugen op door uiteindelijk terug te keren naar de basisgroove. En wie wil er eigenlijk nog de volgende laptopwizard aan het werk zien als je dat hier kan zien groeien vanuit vijf ongelooflijk geïnspireerde, jonge geesten? Dat verdient niet anders dan ons diepste respect, dat wij nederig aan hun voeten leggen.

(PVG en MA)


19 augustus 2017
Patrick Van Gestel