Pukkelpop

Medailles en mispunten

Tom Weyn
Festivalterreinen Kiewit, Hasselt8 november 2008

Het liet de honderdvijftigduizend bezoekers van Pukkelpop Siberisch koud dat het edelmetaal in Peking werd uitgedeeld. Voor hen stonden de idolen verdeeld over de acht podia in Hasselt. De eerste dag was er duidelijk één met hoogtes en laagtes, met ups en downs, met medailles en mispunten.

Nooit eenvoudig om koud de tent te worden ingegooid. Maar het Britse Red Light Company zette desondanks een meer dan respectabele prestatie neer als opener in de Club. Poprocksongs met pit is wat zij serveerden. Zanger-gitarist Richard Frenneaux heeft alvast de manieren om Wembley stadium aan te kunnen.

 
In de Dance Hall hadden The Shoes de ondankbare taak om te openen. Dat deden ze nochtans met veel overtuiging. Hun electropunk kan makkelijk gesitueerd worden tussen die van landgenoten Justice en Daft Punk, maar met het schreeuwerige van Digitalism. U hoort het al, alweer een terminaal hippe groep zoals we er onderhand al genoeg hebben. Toch bewezen The Shoes op Pukkelpop dat ze in het bezit zijn van een goede portie originaliteit die hen wel eens tot blijvers kan doen uitgroeien.
 
De eerste band op het hoofdpodium is meestal gedoemd om hopeloos op zijn bek te gaan. Dat was buiten Triggerfinger gerekend. Het talrijke publiek droeg Ruben Block en de zijnen op handen. Deze band is de Morphine van de stonerrock: hard, sexy en mannelijk.
 
Het stijlvolle elan van Triggerfinger werd in de Marquee naadloos verdergezet door Kaizers Orchestra. In zwarte pakken en met het nodige drama gingen deze Noorse gentlemen meteen voor het hoogste podium. Met de van hen intussen bekende mix van rock- en volksmuziek werd het publiek moeiteloos ingepalmd, ook al was dit exact dezelfde show als de laatste keren dat de heren in ons land te zien waren. De klassieke gasmaskers, olievaten en autowielvelgen zorgden dus voor de visuele kick. De muziek deed de rest.
 
De Chateau had plaats geruimd voor A Mountain Of One. Met overduidelijke invloeden van Pink Floyd (de afsluiter was meer dan een vingerwijzing naar Great Gig In The Sky) en een zanger die het beste van John Cale en Jim Kerr van Simple Minds in zich probeert te verenigen, was dit een behoorlijke gig. Niet genoeg voor een finale, maar desondanks erg leuk.
 
Het eerste dieptepunt van de dag kregen we onder de naam van The Subways. Waar we dit groepje enkele jaren geleden nog een leuke ontdekking vonden, bleken ze geëvolueerd tot een puberale rockgroep die soms gevaarlijk dicht in de buurt van Nailpin kwam. Het gekrijs van zanger Billy Lunn maakte het allemaal nog erger en helemaal rampzalig werd het wanneer bassiste Charlotte Cooper zich ging moeien. Om snel te vergeten.
 
Alweer een meer dan fijne ontdekking zagen we in de Club: Joe Lean & The Jing Jang Jong mag dan misschien de meest belachelijke groepsnaam zijn die we in tijden hoorden, hetzelfde kan gelukkig niet van de muziek gezegd worden. De voormalige drummer van The Pipettes had een uitstekende groep rond zich verzameld (die drums!) en bracht daarmee aanstekelijke en eigenwijze rock. De ietwat chaotische afsluiter Baby, de Big Star-cover van Hey! Little Child en de excentrieke bewegingen van Lean zorgden voor een bescheiden hoogtepunt.
 
Wie duidelijk voor de medailles gingen, waren The Pigeon Detectives. Een overvolle Marquee had hen daar moeten brengen. Algauw kwam het déjàvugevoel echter de kop opsteken. Ondanks het nieuwe album is er sinds hun doortocht vorig jaar niet meteen veel veranderd. Deze band is catchy, maar volstrekt vervangbaar. Het ontbreekt de nieuwe songs aan karakter en body, ook al blijft zanger Matt Bowman nog steeds tot het gaatje gaan, het podium afdweilen, de microfoon rondslingeren en in het publiek duiken. Dat verdient een zeven voor inzet, maar het geheel wordt er ondanks het enthousiasme van het publiek niet door gered.
 
Gelukkig konden we de teleurstelling van ons af dansen in de Boiler Room waar TC achter de draaitafels zat. Tommy Boy bracht een vrij monotone set zonder al te veel verrassingen, maar leverde wel heel erg dansbare beats. En daar maakten vele vroege vogels dankbaar gebruik van om de spieren even los te gooien.
 
Geen Pukkelpop zonder nieuwe revelaties en dat was Kid Harpoon zeker en vast. De Brit begon zijn energieke set voor een lege Chateau, maar liet die al snel volstromen met nieuwsgierigen. Zijn catchy popsongs klonken eerlijker en ook gewoon beter dan de meeste hedendaagse acts die The Kooks en The Libertines kopiëren. Zelfs zijn cover van First We Take Manhattan was de moeite waard.
 
Het gigantisch grote (en gigantisch lelijke) spandoek achter Amy Macdonald deed vermoeden dat deze eenentwintigjarige zich voorzien had op de grote podia. Toch bleek de Main Stage de voornaamste reden te zijn waarom haar set nooit boven de middelmaat uitsteeg. De hit This Is The Life, Youth Of Today of de Springsteen-cover Dancing In The Dark klonken aardig en haar uitzonderlijke folkstem wist ons zelfs af en toe te ontroeren, maar toch zal dit optreden weinigen bijblijven. 
 
Voor Motek is postrock het stadium “post” duidelijk nog niet voorbij. Hun eigenwijze versie wordt met verve gebracht. Vooral het heerlijk uitgesponnen De Vlucht kon ons erg bekoren. Ook al zat het geluid niet altijd perfect in de Wablief, dit verdiende misschien wel edelmetaal.[pagebreak]
Op donderdag was het goud weggelegd voor Santogold, die haar aanstekelijke mengeling van allerlei genres smaakvol en strak wist te brengen in de Dance Hall. Met twee militair opgeleide en synchroon opererende danseressen/backing vocalists, een dj en een band die afwisselend het voortouw namen en Santi White zelf die haar songs liet knallen, was de aanspraak die zij op de medailles maakte meer dan terecht. Of het nu I’m A Lady was, Say Aha of L.E.S. Artistes, band en dj maakten van dit optreden een vroeg feestje.

In de Chateau viel Little Dragon lichtjes door de mand. De Zweden bleken eerder een grote draak en de opkomst was daarmee dan ook recht evenredig. Ze speelden narcoleptische groove jazz of het soort van cocktailfunk dat op saaie recepties gedraaid wordt. Dit was geen band voor Pukkelpop.

Tijdens Dirty Pretty Things stonden we geplet tussen een stel overenthousiaste Engelse nerds en een groep dertienjarige giecheltrutjes die niet meer bijkwamen toen Peter Van de Veire hen vroeg om hun borsten te laten zien. We keken lijdzaam toe hoe de band als The Libertines klonk, maar dan zonder songs om op terug te vallen. Ons gezelschap liet het niet aan zijn hart komen, wij wel. We troostten ons met het feit dat het ongeïnspireerde One Night Only een nog slechtere keuze zou geweest zijn.

Twee jaar geleden had de Main Stage, zoals zo dikwijls, het optreden van Infadels genekt en vandaag mochten ze dan ook terugkeren naar waar de groep écht thuishoort: de Dance Hall. Nochtans zouden ze met het nieuwe album ‘Universe In Reverse’ dit keer dat veel te grote podium wél aangekund hebben. Au fond is er nochtans niet erg veel veranderd. Het Britse vijftal speelde met gemak de tent plat met hun uiterst dansbare, soms zelfs ietwat gemakkelijke punkfunkrockdance. Afsluiter Can’t Get Enough was uiteraard het voorspelbare hoogtepunt.

Serj Tankian bezette het hoofdpodium met een theatraliteit die je eerder bij het Eurovisiesongfestival catalogiseert. Alles aan deze man, van het witte pak tot de bombastische bindteksten, ademde kitsch.

Het trio Menomena “houdt van samenzang en verafschuwt ernst”. Woorden uit het door u gekende weekblad gesponsorde programmaboekje die duidelijk heel wat nieuwsgierigen naar de Chateau hadden gelokt. De samenzang was inderdaad prominent aanwezig, maar de humor was ver zoek en ondanks enkele betere momenten waarin het tegendraadse het won van het doordeweekse zal dit optreden in de annalen der vergetelijken verdwijnen.[pagebreak]
Joan As Police Woman kwam tekort. De twee en een halve songs die haar back catalogue rijk was, bleken niet genoeg om te blijven boeien. De Marquee stroomde sneller leeg dan hij vol gestroomd was en Joan en haar band deden dan ook niet de minste moeite om hun publiek te behouden voor dit laatste optreden van hun tour. Furious en Christobel deden even vermoeden dat het nog goed zou komen maar in feite was het toen al een verloren strijd.

Hoewel de laatste cd van British Sea Power niet echt tot onze favorieten behoort, konden we het niet laten om toch een kijkje te gaan nemen in de Club. En aanvankelijk leek onze mening bevestigd te worden. De songs kabbelden gezapig over het met scheepsvlaggen gedecoreerde podium. De power leek ver zoek, maar na Waving Flags kwam daar verandering in. Het zeil werd samen met het niveau de nok in gehesen zodat we nog prima versies te horen kregen van onder andere No Lucipher. Ook afsluiter The Spirit Of St. Louis verdient op zijn minst een vermelding. Na een wat makke start werd er toch nog een toptijd neergezet.

De zachte, vloeiende sound van Ian Brown was een verademing in het door veel te luide drums geteisterde festivalterrein. Hij wou het publiek aan het dansen brengen en dat was een hele uitdaging gezien zijn relatieve onbekendheid in ons land én de rustige muziek die de man brengt. Toch slaagde hij in zijn opzet. Zeker toen hij de Marquee ook nog eens op Waterfall van The Stone Roses trakteerde.

Nadat er al een hele resem optredens opzaten, werden we pas écht goed wakkergeschud bij Hot Chip. Alles aan dit optreden leek akelig perfect te zitten en zodoende bracht de groep de Dance Hall al snel in een extatische sfeer. Met een ongekende precisie werden ons sublieme versies van ondermeer Boy from School, One Pure Thought en Over and Over voorgeschoteld. De groep had de megahit Ready for the Floor, die ze vakkundig door de mangel haalden, zelfs niet meer nodig om van een legendarisch Pukkelpopoptreden te kunnen spreken.

De grote winnaar van de eerste dag kwam uit een eerder onverwachte hoek. Niet dat we van Iron & Wine geen kwaliteit verwachtten, integendeel zelfs. Maar de mate van perfectie waarmee hier werd gemusiceerd, benaderde een spookachtig grote klasse. Met zijn band (met daarin zijn zus Sarah op viool) wist hij zijn fans te betrekken bij de magische kring die hij met zijn muziek aanlegde. Met Woman King werd de toverkracht opgewekt. Elk detail, van het kleinste belletje tot de basdrum, zat perfect zodat niemand ook maar iets hoefde te missen. Je zou The Devil Never Sleeps en Wolves (Song Of The Shepherd’s Dog) als hoogtepunten kunnen noemen, maar dat zou de andere nummers, die vaak in elkaar overliepen, onrecht aandoen.[pagebreak]
Ook wie voor Mercury Rev had gekozen, kreeg waar voor zijn geld. Door middel van een enorme lichtshow en dito muziek werd de Marquee omgetoverd tot een sfeervol sprookjeslandschap. We kregen voornamelijk nummers uit ‘Deserter’s Songs’ te horen afgewisseld met wat nieuw werk uit hun in september te verschijnen ‘Snowflake Midnight’. De heren slaagden erin die telkens naadloos in elkaar te laten overvloeien met als enige constante ‘bombast’. Zelfs het feit dat we alwéér dezelfde show met visuals en quotes te zien kregen als de voorbije drie jaar, deed niets af aan de magie.

Wie vertrouwd is met Drive-By Truckers, wist waaraan hij zich kon verwachten in de Chateau. Voor nuance was er niet meteen erg veel plaats, ook al bleek hun laatste album toch meer gediversifieerd dan de voorgangers. Afwisselend namen Mike Cooley en Patterson Hood het voortouw. Het was uiteraard weer lekker rocken met nummers als Self Destructive Zone, maar de vonken die er bij deze band soms van afspringen, leken toch te ontbreken.

Het was een gedurfde zet om Roisin Murphy op de Main Stage te programmeren maar wat voor één! Zoals ten tijde van Moloko, bleek het podium zelfs nog te klein voor de schone Ierse. Met enorme, prachtige projecties, onnoemelijk veel outfitwissels en twee backing zangeressen om u tegen te zeggen, zorgde Murphy voor één van de onbetwiste hoogtepunten van Pukkelpop 2008. Forever More, Let Me Know en You Know Me Better was een legendarisch danstrio en ook daarna werd hetzelfde hoge niveau aangehouden.

De shows van The Flaming Lips zijn vermaard voor hun levendigheid en animo, maar zowat iedereen wist dat er confettikanonnen zouden zijn, dat Wayne Coyne een rondje over het publiek zou maken in een ballon en dat er teletubbies en aliens aan de zijlijn zouden staan. Dan blijft er enkel nog de muziek en hoewel Race For The Prize en pakweg het verstilde Yoshimi Battles The Pink Robots nog steeds prima nummers zijn, werd er verder gekozen voor meer obscuur werk, dat al te dikwijls aan het festivalpubliek voorbijging. Neem daarbij de wat mank lopende klank in de Marquee en het was al snel duidelijk dat deze doortocht, ondanks de fantastische show, niet half zo magistraal was als die vorig jaar op het Cactusfestival.

Even later bewezen The Killers over genoeg bombast te beschikken om hun naam als headliner waar te maken. Hoe zeer de groep echter hun best deed, het ging allemaal aan ons voorbij, simpelweg door het feit dat het té veel van het goede was. Niet enkel het afgrijselijke decor was er way over, ook de muziek was dat. Bewegen en meebrullen deden we dan ook enkel om de verveling en de koude te verdrijven. Nooit eerder keken we dan ook zo dikwijls naar het horloge en dachten we vol afgunst aan onze collega’s die zich in een warme Chateau aan Holy Fuck mochten vergapen.

Als je een groep omschrijft als Battles zonder gitaren, zou dat niet echt eerlijk zijn. Holy Fuck gebruikt gedeeltelijk dezelfde middelen: synths, samplers en stemvervormers, maar hun ritmesectie is klassiek en zorgt voor een pompend ritme dat de vermoeide oogleden moeiteloos openhield. Het geheel werd daardoor minder mathematisch, melodieuzer en vooral behoorlijk funkier. Dit was een aangename verrassing als afsluiter van de eerste dag.
← Terug naar overzicht