Les Nuits 2016: Field Music - Gaat dat zien! Nu!

, 2 juli 2018

Het is om hopeloos van te worden. Telkens weer moet je toegeven dat de voorprogramma’s van Field Music meer volk op de been krijgen dan het gezelschap uit Sunderland. Maar wij houden koppig vol: Field Music, mensen, gaat dat zien! Nu!





Voorprogramma's, ze slaan je er mee dood, meneer. En vaak verspillen ze parels aan zwijnen, die enkel oog hebben voor de eigen trog. Alaska Gold Rush kon nochtans rekenen op behoorlijk wat aandacht. En misschien wel terecht. De songs hielden het midden tussen Two Gallants en Jeff Buckley, waarbij de weegschaal doorsloeg naar de eerste band. En Renaud Ledru heeft niet de stem van Buckley, maar inspireerde enkele van de songs toch op diens melobluesy stijl. Ook de nijdigheid van Two Gallants ontbrak, misschien gewoon omdat Ledru’s stem wat meer doordeweeks is; maar als geheel klopte het. En dat telt al voor veel, zeker bij een support act.

Wij waren dus gekomen voor Field Music, de band rond de Brewis-broertjes, die vooraf rustig hun tijd zaten af te wachten, keuvelend aan de merch-stand, graag bereid tot een babbel. De nieuwe plaat zou de meest toegankelijke zijn, ook al omdat ze beiden vader zijn geworden; songs schrijven voor de kinderen en de tijd in de studio zagen als time-off van de dagdagelijkse luier- en andere huishoudelijke diensten. Maar die tijd gebruikten ze dan ook ten volle. Om ook nu weer schitterende platen te maken. Voeg dat allemaal samen en je krijgt een band met inhoud, met een leven, met liedjes ook, en met persoonlijkheid.

En die liedjes klonken live nog krachtiger dan ze dat op plaat al doen. Daarvoor hadden ze de toetsen deze keer overgelaten aan Liz Corney, die ook nog eens zorgde voor meerwaarde als backing vocaliste. Tweede gitarist Kev Dosdale en (de immer van dokwerkersmuts voorziene) bassist Andrew Lowther vervolledigden de band. Wat Field Music tot Field Music maakt, zijn de rare structuren, die ze als geheel vanzelfsprekend doen overkomen; door plotseling stukken a capella-zang (onder meer in een extra lange versie – “the twelve inch extended remix” - van Disappointed) in te lassen of door een omschakeling te maken net daar waar je het niet verwacht. De songs zouden als die van Abba hebben kunnen klinken; zonder de meiden dan en bewerkt met het hakmes.

Zelfs al klinkt opener The Noisy Days Are Over op plaat als een rijkelijk versierd juweel met rare saxkronkels en ingenieus percussiewerk, toch slaagden de Brewissen er moeiteloos in om dat zonder al die tierlantijnen ook te doen overkomen. Het begin mocht dan al wat weifelend zijn, de solo’s en het bombastische einde maakten dat ruimschoots goed. Hetzelfde gold voor I’m Glad, waarvan de complexe drumpatronen met elektronische hulp werden opgevangen.

Zo werd je als luisteraar steeds weer koud gepakt, moest je op de toppen van je tenen blijven staan om toch maar de draad niet kwijt te raken. In het schitterende Effortlessly hoorde je David Brewis’ stem de baslijn volgen en in het al even mooie Stay Awake hoorde je de backing vocals de tekst van dezelfde Brewis al aankondigen voor hij hem zong, een beetje zoals Prince dat ook durft te doen; the purple one maakte hen trouwens als een kind zo blij, toen ze nog maar hoorden dat hij “misschien iets over één van hun songs had getweet”.

Met Give It Lose It, waarvoor ze nog één keer werden teruggeroepen (“Really?”) door het publiek, werd uiteindelijk een concert afgesloten, waarvan je er graag nog drie zou terugzien. En dat mag eigenlijk gerust vandaag al.

14 mei 2016
Patrick Van Gestel (Foto's: Kmeron)