Johnny Dowd De sheriff en zijn deputy's

Johnny Dowd

Zevenenzestig jaar oud, een beetje stram en krom, maar met de levensvreugde van een jonge god stond Johnny Dowd in De Melkerij in Zemst.

Het blijft een bron van frustratie voor Johnny Dowd dat hij er maar niet in slaagt om door te dringen tot de mainstream. En die frustratie verdrinkt hij in de zwarte humor, die tussen de regels en in de bindteksten - “Jullie avond had heel wat minder duur kunnen zijn” - tot uiting komt. Maar het is geen bezwaar om een feestje te bouwen. En daarbij wil Dowd gerust voor John Travolta spelen en een dansje opvoeren in het publiek. Want hij blijft wel een showman tot het bittere einde.

Drie gitaren en een drummachine, meer heb je niet nodig om je publiek te entertainen. En de spelvreugde spatte er vanaf het eerste moment, dat de snaren werden aangeslagen, vanaf. Gitariste en operastem Anna Coogan stond voortdurend met een muilbrede lach op het podium en die andere gitarist Mike Edmondson knarsetandde zich verbeten een weg door zijn partijen. Elk van hen kreeg naast de frontman de kans om zijn kunsten te tonen en deed dat dan ook gretig.

Anna Coogan mocht trouwens ook nog een eigen nummer (The Lonely Cry Of Space And Time) ten berde brengen en toonde daarin nogmaals over wat voor een prachtige stem zij beschikt. Dat die stem in torenhoog contrast stond met Dowds vocale capaciteiten zorgde enkel maar voor meerwaarde.

Maar het was uiteraard Dowd, die de show stal en zich met zijn unieke Texaanse drawl een weg baande door zijn eigen discografie, die het ene moment een “doodgewone” popsong (vaak in alternatieve versies) opleverde en het volgende een door een repetitieve riff gedragen nummer als Execute American Folklore voortbracht of stevig knipoogde richting hiphop.

Tussen eigen songs als My Old Flame en het heerlijk ironische Rhumba In The Park was er ruimte genoeg voor improvisatie. Edmondson schudde een a capella-versie van Life’s Been Good van Joe Walsh uit zijn mouw, Coogan gooide er regelmatig een operasolo bovenop en het concert werd afgesloten met een potpourri van Bob Dylans Blowin’ In The Wind , Where Have All The Flowers Gone (Pete Seeger) en Smile van Nat King Cole, die eindigde in algehele, maar confituurzoete chaos.

Zoals de grote sticker op zijn gitaar al aangaf, was Johnny Dowd de sheriff, maar zijn deputy’s hadden een belangrijk aandeel in de ordehandhaving. En de sheriff is duidelijk nog lang niet van plan om met pensioen te gaan.


October 30, 2016
Patrick Van Gestel