IDLES - Zescilinder

Botanique, 1 november 2018

Akkoord, we hadden vandaag ook naar Father John Misty of Villagers kunnen gaan kijken. Fijne artiesten die we al jaren waarderen. Muzikale helden, zeg maar, maar geen van hen deed met hun albums ons adrenaline- en dopaminegehalte zo stijgen als IDLES dit jaar. Dus gooiden we ons, hoofd eerst, in het punkgewoel.

Om in de sfeer te komen werd JOHN op ons losgelaten. Dit duo ook uit Crystal Palace, bestaande uit twee Johns (één John ramt op de gitaar en de andere John zingt en drumt), spreidt ongeveer dezelfde energie tentoon als IDLES en beschikt ook over een gezond gevoel voor humor. “Kom eens langs aan de merch", zei de ene John. "We hebben een plaat uit. Je kan ze kopen of erop spugen.” En dat kwam dan uit de mond van iemand met een Fred Perry-short aan. Get the picture?

Het album waarvan sprake heet ‘God Speed In The National Limit.’ We geven het maar even mee, want JOHN vinden op het internet is een redelijk zware schattenjacht. En check het, want hoe lang is het bij jou geleden dat er al iemand enthousiast in de nek kroop van een ander bij een voorprogramma?

Zeiden we nu daarnet dat JOHN ongeveer dezelfde energie tentoonspreidt als IDLES? Dan moeten we er wel bij vertellen dan JOHN een tweetaktmotor heeft en IDLES een zescilinder is (nu ja het is een vijftal maar frontman Joe Talbot telt voor twee).

Vanaf de pneumatische baslijn van Colossus werd al duidelijk dat IDLES voor niets anders was gekomen dan om de Botanique plat te walsen. Talbots stem was nog schor van de vorige shows, maar dat weerhield de zwaar getatoeëerde frontman er niet van om zijn stijlvolle, donkerblauwe hemdje in geen tijd te kreukelen en te tooien met indrukwekkende zweetvlekken.

Het blijft een vreemd figuur die Talbot. Met zijn baard en een gebit waarop elke hengst jaloers is, straalt hij tonnen mannelijke kracht uit, maar hij is nooit te beroerd om zijn gevoelens te tonen en in zijn songs op te komen voor migranten, vrouwen, arbeiders en homoseksuelen.

En dat hij dat allemaal meent, bleek ook weer in de Botanique. De band speelde dan wel identiek dezelfde setlist als op de vorige shows, toch klonk het allemaal strak en blafte en spuwde Talbot zijn teksten de zaal in met een sérieux waarvan menig parochiepriester of politieker nog wat van kan leren. Met grote gebaren, zichzelf op de borst slaand en stampvoetend, onderstreepte hij zijn teksten, priemde zijn vinger tegen zijn voorhoofd om te tonen hoe fucked up hij de maatschappij soms vindt, stak de vinger in de neus als hij het over cocaïne had (Gram Rock), stak de microfoon in zijn mond en zijn oog, deelde zichzelf een paar vuistslagen uit en rochelde af en toe wat slijmen weg.

Ook zijn kornuiten lieten zich niet onbetuigd. Gitaristen Mark Bowen (in ontbloot bovenlijf en met een snor als Colonel Mustard uit Cluedo) en langharige Lee Kiernan dansten tijdens het rocken goofy dansjes en doken geregeld in het publiek. Drummer Jon Beavis trok een damesjas met luipaardprint aan van iemand uit het publiek en pookte af en toe een drumstick in Bowens achterste. Alleen bassist Adam Devonshire bleef redelijk zijn onverstoorbare zelf, al liep ook zijn kleur zachtjes rood aan naargelang de set vorderde.

Al die overgave werd beloond door een meebrullend en pogoënd publiek. “Vooral mannen in de moshpit,” stelde feminist Talbot vast. Hij schreef Love Song nochtans als een oproep om optredens veiliger te maken voor vrouwen. En ze waren er, hoor. Ze smeten zich met evenveel overgave in de massa zwetende lijven zodat het niet eens opviel wie man was of vrouw, of iets daar tussenin.

Pas negen nummers ver in de set, nam de band een korte adempauze en konden de suizende oren even bekomen. De stand stond dan 5-4 in het voordeel van ‘Joy As An Act Of Resistance’ tegenover ‘Brutalism’, maar na de pauze maakte de debuutplaat gelijk met het aangrijpende en van een geweldige gitaarlijn voorziene 1049 Gotho, een song over een depressieve vriend en “a mind like mine”, aldus Talbot.

De volgende vier tracks kwamen dan weer allemaal uit die overweldigende tweede plaat van het kwintet uit Bristol en zorgden ervoor dat alle emoties van Talbot open en bloot kwamen te liggen. Teksten als die van Samaritans en Love Song zijn echt opzienbarend eerlijk en werden met zo’n overtuiging gebracht dat je hem meteen geloofde, toen hij zich na anti-Brexitsong Great excuseerde namens zijn land.

En Talbot zag ons Belgen echt graag, want met de vraag “Hoeveel Belgen zouden we op dit podium krijgen?” nodigde hij de fans uit voor een bestorming. Die gingen daar maar wat graag op in om dan half verlegen, maar met stralende ogen te dansen tussen hun helden. En Kiernan? Die verdween weer in het publiek, vond daar een vrouw om op zijn gitaar te spelen, maar mocht zelf van de eigen meegebrachte securityman niet meer op het podium. Het was maar één van de geintjes, die de crew met elkaar uithaalde.

Met Well Done en het anti-racismenummer Rottweiler nam IDLES afscheid van Brussel. Talbot deelde nog wat kushandjes uit, zwaaide en verdween, terwijl de rest van de band zich overgaf aan noise en distorsie. Kiernan gordde voor dat laatste nummer nog een oude, roze gitaar om en algauw bleek waarom: het arme instrument werd mishandeld en uiteindelijk weggegooid terwijl Bowen met zijn gitaar op zijn hoofd rondliep en er mee touwtje sprong.

Wie IDLES vanavond aan het werk zag, vroeg zich misschien af hoe de band zich morgen zal voelen in De Zwerver, maar wij zijn er gerust op: ook daar zal de boel plat moeten!

2 november 2018
Marc Alenus