Humo's Rock Rally 2016 - Enkele goede bands

, 2 juli 2018

"Waarom zijn er hier zoveel West-Vlamingen vanavond?", vroeg de vrouw die ons ticket controleerde. Ik antwoordde dat er simpelweg veel talent in West-Vlaanderen zit. En inderdaad, er stond talent op het podium van het Depot in Leuven, maar geen West-Vlamingen – behalve presentatrice Sarah Vandeursen - en wat erger was: weinig goede bands. Wel hoorden we goede songs voorbijkomen, maar die werden vaak slordig of zonder veel overtuiging gebracht. Heel wat bands leken nog niet op elkaar ingespeeld te zijn of waren nog op zoek naar een eigen geluid.





De jonge rappers van Rewind Productions mochten de avond aftrappen. We hoorden slome, ijle beats, sterke flows en een aantal speelse hooks - "Just like Stevie Wonder, you can’t see me coming". Maar over het algemeen zocht de groep nog te veel houvast in clichés. De energie en het enthousiasme waren er, nu nog een frisse insteek in het genre vinden en iets doen aan die pijnlijk valse refreintjes.

"Dit is ons eerste optreden ooit", zei de frontman van Atilla droogjes na twee straffe nummers vol dansbare grooves en catchy zanglijnen te hebben gespeeld. Deze band stond er, wist het publiek in te pakken met soulful indieklanken en strooide toch met voldoende weerhaakjes om zich van de anderen te onderscheiden. De set was ook goed opgebouwd met een stevig, uptempo nummer aan het eind. Uit de introtekst van Vandeursen bleek dat deze frontman enige druk nodig had om de studio in te duiken. Vreemd, als je zag hoe hij zijn plaats innam op het podium. Het tweede optreden van deze band zou wel eens de halve finale kunnen zijn.

Afgaand op de naam The Hipster Jugend verwachtten we een groep te zien die zichzelf niet al te serieus nam. En dat bleek aanvankelijk ook het geval te zijn. Hoewel, we zijn er nog altijd niet uit of dat eerste nummer als grap bedoeld was of niet; die foute synths, dat clichématige akkoordenschema, maar tegelijk die ernstige, schuchtere houding van de bandleden. Linde Muylaert, zangeres van dienst die met haar vorige band De Eerste Keer in 2012 Kunstbende won, maakte een wat verdwaalde indruk. Zo kon de awkward breakdown in het derde nummer, waarin ze even haar warme stem wisselde voor een klagerig parlando, ons niet overtuigen. Jammer, want dat derde nummer was voor de rest het beste wat ze brachten, een sfeervol nummer met een duister kantje dat zo als soundtrack kan dienen voor een stijlvolle misdaadfilm als 'Drive'.

De jongens van Citizens toonden meer enthousiasme, maar gingen nog te vaak alle kanten op. Het eerste nummer was meer een jam dan een song; het tweede nummer klonk als een mix van The Doors en R.E.M., overgoten met een flinke scheut popmuziek; en het derde baadde dan weer in een westernsfeertje met knipogen naar vroege Arctic Monkeys. Vaak kabbelden de songs te gezapig voort en de zang klonk niet altijd even toonvast. Maar ze krijgen wel de prijs voor meest eigenzinnige gitaarsolo van de avond: een waanzinnig spannend duel tussen bottleneck en fretbord. Op zulke momenten stond er iets op het spel, nu nog de songs zelf van een stevig paar ballen voorzien.

In de inleiding tot het optreden van Again & Again vertelde Sarah Vandeursen dat deze band al verschillende leden had versleten, maar eindelijk een goede bezetting had gevonden. Daar hadden wij zo onze twijfels over; en het publiek ook, als we mogen afgaan op het magere applaus. Jammer, want hier stond verdorie een songwriter, die wist hoe hij een mooie popmelodie moest schrijven. Hij kon echter op weinig steun van zijn band rekenen, die een nogal futloze indruk maakte. We hoorden veel eightiesinvloeden, catchy gitaarriffs en - opnieuw – goedkope, cheezy synths. Het derde nummer, waarin de toetsenist gelukkig eens een gitaar ter hand nam, klonk dan ook een pak beter. Jammer wel dat hij identiek hetzelfde speelde als de frontman.

En toen was daar Tin Fingers. Voor het eerst op de avond hadden we het gevoel dat we naar een echt concert stonden te kijken en hoopten we dat er na dat derde nummer nog een tiental zouden volgen. Hier stond een groep, die een heel eigen wereld opriep, met dromerige nummers die breed uitwaaierden, vernuftig waren opgebouwd, razend vernieuwend klonken en tegelijk knipoogden naar de psychedelica van de jaren zestig. Ook zagen we een bijzonder charismatische frontman met een klok van een stem, die zelfs Sarah Vandeursen stil kreeg en haar op een elegante manier van het podium stuurde. Nog voor we een noot gehoord hadden, was het al overduidelijk: deze mannen waren hier niet om wat te dollen, maar om muziek te spelen. En na die eerste noot wisten we het weer: zo hemels zoemend kan een keyboard ook klinken, waarna we ons moedwillig lieten overspoelen.

De Brusselaars van Fugitives staken de invloeden niet onder stoelen of banken; alles wat ze deden, ademde Arctic Monkeys. Van de heupbewegingen van de frontman, over de bad-ass-gitaarriffs tot de melancholische akkoordprogressies genre A Certain Romance. U raadt het al: bijster origineel klonken ze niet. Geestig, dat wel. We zagen een groep die goed op elkaar was ingespeeld en dynamische structuren ineen had gebokst. Een werkpunt? De teksten. Wanneer Alex Turner zingt: "I don’t know if you feel the same as I do", komt hij daarmee weg, maar toen één van de twee frontmannen tijdens de soundcheck: "Do you feel the emotion that I’m feeling for you?", zong, kroop er een rilling van plaatsvervangende schaamte over onze rug.

Lago’s grootste wapen was de gitarist-beatboxer. En dat wisten ze maar al te goed; ze hadden een solomoment ingepland waarin hij volledig los kon gaan. Maar sorry dames, daar compenseer je geen valse zang mee. Het beste moment van de set kwam er dan ook tijdens een instrumentaal, atmosferisch stuk waarbij cello, gitaar en beatbox zich vloeiend in elkaar weefden. Maar ook de rapster van het viertal, die met haar dotje en hoge aaibaarheidsfactor een ver nichtje van Selah Sue leek te zijn, liet een aantal goede flows horen. We zagen een groep, die op zoek is naar een eigen sound, ergens tussen hiphop en folkmuziek, en dat moedigen we zeker aan. Alleen, ze zijn er nog niet en klonken nog te vaak als een groepje arty wannabes, die tijdens een poëzie-avond toevallig samen op het podium beland waren.

Sarah Vandeursen, die voor lekker ongemakkelijke momenten zorgde met haar bindteksten, kondigde Bugsy aan als een "christian rockband". Daar had deze hiphopgroep weinig mee te maken, behalve dan dat de frontman vaak met de handen in het kruis zat. Dit zootje ongeregeld liet hondsdolle hiphop horen, compleet met bling bling-kettingen, real OG-refreinen en woeste rhymes. Ondergetekende moest zich inhouden om geen slut drop uit te voeren tussen al die vettige beats, hoewel de lol er na een nummer of vijf wel vanaf was. Maar niet voor Bugsy zelf, die letterlijk van geen ophouden wist. Dat ging zelfs zover dat, toen de muziek werd uitgezet, gingen ze vrolijk a capella door. En de grote vraag die op ieders lippen brandde: wie was de jongen met de oranje dreads en de bril die het grootste deel van de set met zijn broek tot onder zijn kont over het podium waggelde en, toen hij eindelijk een microfoon in handen kreeg, alleen maar "Woh nigga wo!", uitbracht? Geef hem een standbeeld.

Als we hun vi.be-profiel mogen geloven is Ervrard Veldekens, de frontman van Mantra Suicide, achtentwintig jaar oud. Van waar wij stonden leek hij echter op zijn minst tien jaar jonger; en hopelijk is dat ook zo. Want dan heeft hij nog tijd om zijn stem onder controle te krijgen. Een catchy nummer schrijven in de stijl van Tame Impala kan hij alvast. Het was dan ook jammer dat de arrangementen zo rommelig waren, want we konden de invloeden van bands als The Beach Boys en Pink Floyd – in de tijd van Syd Barrett – wel smaken. Ons advies luidt: stap terug jullie psychedelische cocon in en durf risico's nemen.

Wij zagen tijdens de zevende voorronde van Humo’s Rock Rally twee sterke bands en een hoop talent dat nog tot ontwikkeling moet komen. Want met een leuke ep alleen kom je er niet, als je die niet op een sterke manier live kunt brengen.

7 februari 2016
Mattijs Deraedt