Frontfest VI
Franse kadaververminkers warmen Frontfest op
Kris Hadermann
Frontline, Gent — 8 november 2008
Frontfest doet het al voor de zesde keer. Al wat underground is uit binnen– en het niet te verre buitenland mag meedoen. Elk jaar ontdek je weer zo’n band waarvan je denkt “wat komen die nog in een kruipkot als de Frontline doen”. Uw reporters trokken hun neuzen uit de boeken, vergaten examenstress en bijhorend uitgaansverbod en waren voor u op zowel de preparty als het eigenlijke festival.
Die preparty konden we gewoon niet laten liggen. Voor zover we vertrouwd waren met de namen van die affiche, moest dit al een aanzet worden. Het concept van die dag was simpel: twee podia, één voor de grindcorevarianten en één voor de thrash en heavy metalbands. Op het grindcorepodium mocht Jesus Crost de bal aan het rollen brengen. Openen is nooit gemakkelijk, maar de kortgeschoren Rotterdammers harkten complexloze grind uit drum en gitaar. Tussendoor voerde de drummer het woord, daarbij snerend over dood en begrafenissen, de Belgische formatie en hoe Feyenoord kampioen gaat worden dit jaar. Zowel humor en muziek waren ok, de kop was er af, meer niet.
Gedwee de trap op dan, waar op de band en hun entourage na de zaal leeg was. Een vraagteken verscheen ons boven het hoofd, maar met mondjesmaat stroomden dan toch een twintigtal kijklustigen toe. We waren duidelijk niet de enigen die Ripsaw nog nooit gehoord of gezien hadden. Nederland heeft met o.a. Legion of the Damned en Fleshcrawl een thrashreputatie en Ripsaw past in dat rijtje. Stampend, net als hun riffwerk, liet de band het houten timmerwerk, dat als podium fungeert daarboven, net niet inzakken. Vocals hoeven bij thrash niet te origineel te zijn en dus voldeed de roep van de frontman. Als je dat recept in een heldere afstelling kan laten rijzen, dan krijg je het headbangfestijn dat zich in de toren van de Frontline voltooide. Een ontsluiering en eentje die we graag terug zien.
Op het gelijkvloers was het opnieuw goregrinden geblazen. Stoma, afkomstig uit – jawel – Nederland was aan zet en kreeg een knotsgek publiek voor zich. Een roekeloze moshpit, crowdsurfers die tot tegen de steunbalk getild werden en daar als volleerde acrobaten aan bleven hangen. Veel gekte voor wat eigenlijk niet meer was dan een knetterende drumhagel en vocalen die de braakreflex net niet in werking lieten treden. De gitaren konden de versterkers alleen maar laten knisperen, een teken dat de aangeslagen riffs te diep waren. Daarom verkregen ze nooit dat gemene karakter dat van goede goregrind af moet druppelen.
Terug naar de heavy metalzolder, waar een drietand Ieren zich geïnstalleerd had. Voor hen was het de eerste gig op Belgische bodem en ze waren bijzonder enthousiast dat ze zoveel volk mochten verwelkomen. Een nauwelijks volgelopen zaal kreeg lichtjes gemoderniseerde heavy metal te horen, soms zelfs een donkerdere riff die wat thrashy aanvoelde. Cleane vocals zijn geen evidentie meer in het metalwereldje, maar Honey For Christ zwoer trouw aan hun tussen vals en degelijk balancerende exemplaar. Voor het enthousiasme een voldoende, maar voor de muziek hoeven ze de Noordzee niet meer over te steken. De bewusteloze festivalganger die voor de toog lag kreeg net iets meer aandacht.
Beneden stond de band met de meest zeggende groepsnaam te springen. Datzelfde publiek als daarstraks haalde opnieuw zijn apenstreken boven. Sublime Cadaveric Decomposition komt uit Frankrijk en dan zijn we sceptisch. Ginds wordt doorgaans nogal lacherig gedaan over metal en aanverwanten. Toch daar waar Stoma tekort schoot, loste het snarenassortiment de ene vermorzelende groove na de andere. De blonde krullenbol in– en exhaleerde indrukwekkend brute vocalen. Meermaals zoog hij de hele zaal vacuüm, daarbij het geluid makend dat je krijgt als je met een stofzuiger een aangesloten micro probeert op te zuigen. Ook de Franse polspezen achter de cilinders bleken van stevige kwaliteit, wat maakte dat Sublime Cadaveric Decomposition een uitstekende doortocht lukte.
“Weet jij wat er hier straks gaat gebeuren?” Zo begroette een van de groupies van Sons of Lioth ons tijdens het wachten. Om hem niet te kwetsen, zwegen we over de absolute kut-cd die ons van die band bereikte. De messen stonden dus versgeslepen klaar, we begonnen al in onze vocabularium te graven naar vernielende woorden om hier eens korte metten mee te maken. Een voor één klauterden de muzikanten de bühne op. Allemaal met een pruik en uitgedost alsof ze net uit de jaren zeventig kwamen. Glitterpruiken, strakke tijgerbroeken die weinig aan de verbeelding over lieten, haarbanden en schuddende dijen zijn voorbeelden van de carnavaleske show. Nog belangrijker: de stokoude heavy metal klonk live een stuk overtuigender. Zelfverzekerde powerzang (je weet wel, dat hoge stemmetje), technisch vaardige gitaristen én originele teksten die elk een verhaal te vertellen hadden. Het gebeurde en we hadden het nooit geloofd als het schuddende geslachtsdeel van de zanger niet zo op ons netvlies had gebrand gestaan.
En wat dan gezegd van de afsluiter. Bijna 23 jaar slaat de mincecore van Agathocles alles wat rechts is de kop in. Dat ze zich ook nu weer niet konden inhouden om enkele extreem-linkse preken af te steken was dus niet eens origineel. Muzikaal lijkt onze Belgische grindtrots ook over haar hoogtepunt. Nils Laureys mepte dan wel de vonken uit zijn cimbalen, de krijs-, gil– en roepstem van opperhoofd Jan Frederickx is al jaren over datum. Waar de gitaar snoeihard kelen zou moeten open snijden, leek het instrument daar zelf slachtoffer van te zijn, want echt veel leven zat daar niet meer in. Clichés liegen niet: vroeger was het (waarschijnlijk) beter. Tot morgen voor het eigenlijke Frontfest.
