Frontfest VI
Van vaderlands talent tot ondergewaardeerde smoelentrekkers
Kris Hadermann
Frontline, Gent — 8 november 2008
Gisteren werden beide podia meer dan ingespeeld, vandaag stond een veel uitgebreider en gevarieerder programma klaar. Wegens omstandigheden kunnen we u de eerste vier bands van de namiddag niet aanbieden. Maar niet getreurd, er waren nog bands en bier genoeg om er een intensief dagje ondergronds metaal van te maken.
Van de bands die we moesten missen, zal Leprasy allicht een belletje doen rinkelen. Hun ‘Morbid Pathologist’ passeerde hier de revue en ook live mochten we ze al aan u aanbieden. One man band Assur zagen we al eens aan het werk en eerlijk gezegd was daar toen nog veel schaafwerk aan. Ook het ons nog steeds onbekende Self-inflicted en Cypher hadden we niet gehaald.
Precies op tijd stuikten we binnen tijdens het optreden van het Nederlandse Chainsaw, een thrashformatie. Geen moderne ‘Nederthrash’ echter zoals we die in ons vorige verslag omschreven. Deze jongens deden het old-school, met een gitaar die volgens dat oergeluid uit de laten jaren ’70 afgesteld stond. En dat lijkt erg op … een ratelende kettingzaag. Gehuld in een hockeymasker en zwaaiend met een rokende kettingzaag, galoppeerde de zanger tijdens de intro tussen het publiek. Zijn zang klonk echter nog roestiger dan het ding waarmee hij stond te zwaaien. En eigenlijk speelde ook die gitaar maar heel gewoontjes. Wat veel compenseerde was de enorm creatieve show. Groot was het podium al niet, maar toch hadden ze het verbouwd met extra wanden en een vrouwe justitia met borstimplantaten. Tijdens een van de nummers hees de zanger zichzelf in een priesteroutfit en gecombineerd met het betere smoelwerk kwam dat ‘evil priest’-effect uitstekend over. De grote finale viel tijdens het nummer Butcher of Bagdad. Vanuit de coulissen haalde de voorman een karkas van een varken, plantte daar een keukenmes in, trok daar prompt drie in ‘bloed’ gedrenkte worsten uit waarvan hij enkele stevige stukken knaagde en kieperde het opengesneden (nep)dier tenslotte uit over zijn eigen kanis. Muzikaal een niemendalletje, maar voor spektakel zit je bij Chainsaw wel goed.
Omdat een grapjas een sticker over de daarop volgende band had geplakt, dachten wij dat die verstek had laten gaan. Toch konden we nog een ferme hap uit het optreden van The Difference konden nemen. Dat was de moeite waard, want onze landgenoten maakten indruk met progressieve heavy metal. Galops en melodieladders zaten congruent in elkaar gevouwen. Als surplus toonde een uitstekende zanger het maximum van zijn arsenaal, bestaande uit traditionele kopzang, rustige cleane strofes en heuse grunts. Een compleet pakket heet dat en eenmaal in elkaar gezet was het geheel niet meer kapot te krijgen. Vanuit die hoek mag je nog mooie dingen verwachten.
Nog steeds geen lift, dus de stalen trap bracht ons met beide voeten weer op de grond. Een band die dat ook blijft is het Antwerpse Moker. Vaste lezers hebben ons al bijzonder wild horen doen over hun liveprestaties en we krijgen er gewoon niet genoeg van. Elke breakdown liet een komeetinslag verbleken tot een blaadje dat van een eik valt. Genietend van een perfecte afstelling en badend in agressie knalden de snaren erop los. Ook qua présence en attitude zat het goed, aangebruld door de man met de pet die de micro vasthield. Moshen kon niet uitblijven en opnieuw drukten enkele crowdsurfers hun lichaam tegen de steunbalk. We kunnen en zullen het blijven herhalen, telkens we Moker zien spelen: weinig internationale toppers kunnen hieraan tippen.
Toen reeds begonnen onze nekspieren zich samen te trekken tot een pijnlijke kramp, want aan zo’n Mokeroptreden deelnemen is geen eitje voor je lijf. Remains poogde het bovenzaaltje te plat te spelen met klassieke death metal zoals de band wiens naam dat genre draagt het de wereld leerde. Die vlieger ging niet op voor onze taalgenoten uit het noorden want een veel te luide microfoon vrat alles wat uit eender welk instrument kwam op. En ook al klonk het door die luide afstelling dan wel zo, erg krachtig was de grunt van de man met de emobles niet. De gewillige luisteraar hoorde dat wat de gitaren uitkraamden bij momenten best nog flink in je ballen kon trappen. Zeker de low-tempo riffings. Maar zo’n vaart liep het niet. Remains liet alle ballen onberoerd of om het op z’n Belgisch te zeggen: het trok op geen ballen!
Naar jongens die gelden als de grootste metalband van Frankrijk mag je wel met een broek vol verwachting gaan kijken. En ook onze collectie telt een album om lichaamsdelen van af te lebberen. Toch begon Misanthrope (op z’n Frans uitgesproken) ontstellend zwak. Even verwijfd als de zonnebril op zijn neus, krijste vocalist SAS De L’argillière zijn keel nog schorder dan die al leek te zijn. Een veel te rommelige collage van brommende snaren en haast aritmische percussie maakte de eerste 20 minuten tot een afgang. Maar dan kondigde De L’ Argillière - in lachwekkend Allo Allo-Engels - het oude werk aan. Met een ruk vielen de stukjes in elkaar en konden we onze ondertussen verstijfde nek nog eens losschudden. België kreeg zelfs twee premières van nieuwe nummers te horen en ook dat klonk veelbelovend. Misanthrope redde met andere woorden zijn vel.
Een groepsnaam moet aantrekkelijk zijn. Zeg eens eerlijk: zou u niet gaan kijken naar een band die zichzelf The Evil Pony’s noemt? En als u bij binnenkomst een beeld van een dolkomische paardenkop ziet staan, zou u dan nog weigeren om te blijven? Daar moet je gewoon naartoe. De band bracht moddervette gitaarriffs aan een betrekkelijk laag tempo, wat het heel toegankelijk maakte. Ze deden ons sterk denken aan Belgian Asociality (die iedereen kent van het nummer Morregen). Weinig bijzonders. Het waren vooral de hilarische lyrics die de show de moeite waard maakten. De titels zeggen al genoeg: Ik Zen Gestrand Me ’t Laatste Papierke In M’n And, Goodshape-cover Neem Mijn Lief (Take My Love, weet u nog), ‘k Heb Mijn Lief Gedumpt Omda Ze Teveel Heeft Gejumpt of hun jongste, absurde creatie Cracot’n Me Preparé. Meestal rapte de zanger met bivakmuts de teksten in het Meetjeslandse dialect af, maar keurig cleane zang was de man met baard even machtig. Een band met een hoog cabaretgehalte en zelfs de muziek was aardig catchy.
Als er één Belgische heavy metalband is die u moét kennen, laat dat dan Double Diamond zijn. Zichtbaar een jaartje ouder, maar als je al zeventien jaar tot de nationale heavy metaltop behoort, hoef je op geen rimpeltje te kijken. Al verkeerden de powervocals in een hese dag en leek de band niet meer dan een routineklus te klaren. Begrijp ons niet verkeerd. Ze stonden alle vijf uitgelaten te dollen op het podium, maar ze konden niet helemaal overtuigen. Mogelijk zijn hun songs gewoon te matig om er echt de vonk in te krijgen en we merkten ook op dat de ritmegitaar redelijk zacht in de zaal zat. Niet iedereen mocht dit excuus inroepen, maar Double Diamond mocht misschien toch eens kwaad kijken naar de akoestiek van de Frontline.
Iets helemaal anders stond boven hun Limburgse geduld te oefenen. Onze eerste ontmoeting met België's beste doom metalband was alweer geleden van de doomnight. Daar merkten we al dat er in België geen publiek is voor dat zo vaak ondergeapprecieerde genre. Bewijs: Insanity Reigns Supreme bestaat al sinds 1989, maar slechts enkelingen zijn vertrouwd met die ruwe diamant. De band speelde best pakkende, transcendente gitaarspielereien, gekoppeld aan gitzwarte low-tempo riffs. Prachtplaat La Tristesse Eternelle trok opnieuw de kar. Grunter Criz Jamers vocht tegen een haperende micro, maar kreeg zijn diepe stemgeluid meestal toch hoorbaar door de boxen. Minpuntje was de drummer, die sporadisch de neiging had om te snel op zijn toms en snaardrum te ranselen, daar waar dat niet gewenst was. Toch blijft het ons een mysterie waarom tegen het einde van hun uitstekende beurt, het publiek nog uit een tiental dapperen bestond. Doom metal is geen zoete koek die onmiddellijk in je mond smelt, maar eerder een "smoelentrekker", waar je even moet op zuigen om ervan te kunnen genieten. Eet meer smoelentrekkers, mensen!
Zelfs de headliner kon niet genoeg respect opbrengen om tenminste te wachten met spelen tot Insanity Reigns Supreme hun laatste noot had laten uitdoven. Suhrim is even oud als die band, maar geniet veel meer naam en faam. En dat kan je niet onterecht noemen, want als ze willen, spelen ze nog de pannen van het dak. In Frontfest leken ze wel zin te hebben en toen we ze beneden aantroffen, dwong de razende sound ons in een moordende houdgreep. Noeste kloeften zorgden voor variatie in het tempo. Aanvoerder Johan Antonissen – bij onze laatste Suhrimgig nog omgord met de basgitaar – brulde nu zonder (zichtbaar) aanhangsel de slijmen uit zijn amandelen. Bloeddorstige songs als Bonesaw en Sudden Death kregen het feestje pas echt op gang. Johan gunde het publiek, dat daar veelvuldig om had gevraagd, zelfs een glimp van zijn boezem. En met die naakte waarheid zullen we onze percepties van een puik Frontfest besluiten. Slaap zacht, droom zoet en eet nog een smoelentrekker voor het slapengaan!
