Eastern Daze III Ontdekkingen troef

Eastern Daze III

Het Eastern Daze-festival van Kraak, Kunstencentrum Vooruit en Sound in Motion wordt stilaan een jaarlijkse traditie. Voor de derde editie was het festival uitgebreid naar drie dagen, waardoor er ook plaats was voor film en debat. In alle diversiteit die het programma herbergde, bleek er vooral veel goede muziek te ontdekken.

Iets wat veel muziek op het festival kenmerkte was dat ze niet eenvoudig te categoriseren was. In het postmoderne en geglobaliseerde muzieklandschap gaan er veel invloeden heen en weer tussen verschillende tradities en genres. Muziek uit afgelegen regionen of ontstaan uit vreemde tradities is bereikbaarder dan ooit en derhalve ook van invloed op andere muziek.

Het panelgesprek tussen Mike Cooper, Giancarlo Toniutti en Ernesto Gonzales maakte dat extra duidelijk. De vraag wat zij dachten van de mix van avant-garde en ethnische muziek leidde tot een discussie over wat genres en labels eigenlijk betekenen en wat ze opleveren zonder tot een echt antwoord te komen .Wel was duidelijk dat ze alle drie niet graag in een hokje worden gestoken. Dat men daardoor niet toekwam aan een reeks andere interessante thema’s, moest het handjevol aanwezigen er maar bij nemen.

Vrijdag

Giancarlo Toniutti bracht zijn ‘Epigènese’ uit 1986 in het midden van een verkleinde balzaal met speakers opgesteld in de vier hoeken. Door die set-up was het publiek letterlijk omgeven door de abstracte geluiden. Maar hier en daar leek er een geluid herkenbaar in de wervelwind van klanken: een piepende deur, een zaag. Omdat er geen opbouw of structuur te ontdekken viel, vormde Toniutti’s set een uitdaging voor de luisteraar. Op geen enkel moment deed Toniutti daarin een toegift aan het publiek.

Aan het einde van Tèndine Lividìssima Cesòia leek het even alsof de set er al op zat. Toen Ethmòs-Crivèllo een paar minuten later begon, was een deel van het publiek al verdwenen. Ethmòs-Crivèllo was gebaseerd op hetzelfde idee als Tèndine Lividìssima Cesòia, al kon je nu wel duidelijk een piano herkennen. Een extra visueel element had misschien niet misstaan. Nu stond Toniutti gewoon in een egaal verlichte zaal op zijn gemak aan een mengpaneel te sleutelen.

Typhonian Highlife, het alter ego van Spencer Clark, kon op dat vlak wel overtuigen. De in België wonende Amerikaan kwam gekleed in een beige trenchcoat op het podium en toverde met veel show een hoop new age-klanken uit zijn synthesizer. De nummers leken een sterk improviserend element te hebben, al werd tijdens Symphosodon Nasty Boys duidelijk dat er wel een sterke structuur achter schuilging. Eerder dan met een melodie werd het verhaal gevormd door het gebruik van klanken. Op een aantal momenten wist Clark te amuseren en te intrigeren, maar veel verder dan dat ging het ook niet.

De lijn doorheen de set van Mike Cooper was improvisatie. Gekleed in zijn typische Hawaïhemd (de Brit heeft er een enorme collectie van) en gewapend met zijn Hawaïaanse steelgitaar, wat effecten en een hoop tekstfragmenten, bijeen geknipt uit boeken van Thomas Pynchon, zocht hij zich een weg doorheen de set; hetzelfde concept dat ook achter ‘Light On A Wall’ schuilging. Soms was er zang, ondersteund door wat minimaal gitaarwerk, dan weer overheerste de elektronica en wekte hij met een handblazertje een soort van drone op.

De grote mate van improvisatie, die Cooper aan de dag legde, zorgde ervoor dat hij ook gemakkelijk een uitweg vindt, wanneer er iets mis loopt. Juist op het moment dat de gitaar wat meer ruimte kreeg, liet die het afweten. “I have no guitar, so we will do it without it”, was de lakonieke commentaar en hij begon dan maar te klappen als ondersteuning bij de zang. Iets later bleek die gitaar dan toch weer te werken. Tot welk doel de videobeelden achter hem juist dienden, was niet helemaal duidelijk. Ze hadden nogal een hoog homemovie-gehalte en leken veraf te staan van wat er op het podium gebeurde. Kan ook moeilijk anders als er op voorhand geen structuur vast ligt.

De verrassing van vrijdagavond kwam van afsluiter Nibul. Het duo uit Toulouse bracht een stomende drone op drums, percussie en een stevig bewerkte sax. In de loop van twintig minuten won die langzaam aan nuance en werden accenten gelegd. Van een reeks trage, aangehouden noten verschoof de saxofoon meer en meer naar een melodie. Door het hoge tempo en het aanhoudende ritme was dit zowel voor band als publiek een uitputtingsslag. Veruit de kortste set op het festival, maar het duo kreeg desondanks een verdiend, warm applaus.

Zaterdag

De eer om de tweede avond te openen was aan Sanskiti Shrestha, van oorsprong Nepalees maar nu onderdak gevonden in Oslo. Bijgestaan door Tejaswinee Kelkar op een indiaans harmonium verkende zij een reeks ideeën op haar tabla tarang. Nadat het harmonium langzaam tot een soort riff was uitgebouwd, begon Shrestha hier verschillende mogelijkheden bij te onderzoeken. Eerder dan te vervallen in een bepaalde groove, ging ze over van idee naar idee. Op eenzelfde manier verkende ze ook ritmische patronen met haar stem; ergens te vergelijken met skat.

Bij de overgang van het ene nummer naar het ander vulde het harmonium de lege ruimte op, terwijl Shretha haar tablas herorganiseerde. Daardoor kon gespeeld worden met verschillende toonhoogtes. Doordat de set bestond uit één lang nummer, slaagde Shresta er wonderwel in om een eigen sfeer neer te zetten, die niet werd onderbroken.

Van het ene druminstrument ging het dan naar het volgende. Het album van Les Filles De Illighadad bevat twee verschillende zijden. De A-kant bevat Toearegblues, de B-kant is één lang nummer met een tende. Ook in de set waren deze twee zijden aanwezig. Gezien de tende zijn oorsprong heeft als waterdrum, was het niet meer dan passelijk dat hij in een doos met water dobberde en met een flip-flop bewerkt werd. Dat resulteerde in een diep geluid dat de maat aangaf en de muziek voortdreef; een kant van de Toearegmuziek die we jammer genoeg maar weinig te zien krijgen.

Wanneer, na een aantal nummers, het recept wat te eentonig begon te worden, werden de gitaren bovengehaald. De ingetogen intimiteit, die het album bevat, werd aan de kant geschoven voor twee elektrische gitaren, die de sfeer van de eerste nummers beter konden voortzetten. Dat maakte dan wel dat de nuances in het gitaarspel van Fatou Seidl Ghali niet altijd duidelijk te horen waren. Hoewel vrouwelijke muzikanten helemaal niet ongebruikelijk zijn bij de Toeareg, krijgen we ze in Europa minder te horen. Les Filles de Illighadad maakten duidelijk dat ze hun plaats hier dubbel en dik verdienen. Door de samensmeltende stemmen was dit een plezier voor het oor.

Wanneer Bear Bones, Lay Low aantrad, werd vooral het verschil met de twee vorige acts duidelijk. Het soloproject van de Venezuelaanse Brusselaar Ernesto Gonzales dompelde het publiek plots helemaal onder in elektronische klanken. De drie stukken, die hij bracht, begonnen alle drie met een hoop losse elementen om dan langzaamaan een ritme de overhand te laten nemen. Die opeenstapeling van klanken klonk tegelijk kosmisch en noisy en was verassend dansbaar.

Gedanst werd er ook op de proto-techno van Manuel Göttsching - ook al is hij daar zelf niet zo’n fan van. ‘E2-E4’ mag ondertussen al zesendertig jaar oud zijn, het was nog maar de twaalfde keer dat hij het album live opvoerde. De vraag daarbij was vooral hoe nauw Göttsching zich aan het origineel zou houden. Wie een schaakspel naspeelt, heeft geen enkele vrijheid over de zetten die hij gaat doen, enkel de regels van het spel te blijven over.

Göttsching volgde de algemene structuur van het album wel, maar liet zichzelf de vrijheid van enkele variaties. Hier en daar kwamen bepaalde elementen meer naar voren, wat een nieuw inzicht bood in de opbouw van het album. De kans dat Göttschings gitaarspel exact hetzelfde was, was ook maar klein. Ook in Göttschings performance was het live-element ver te zoeken. Hij zat voornamelijk gebogen over een tafel met elektronica. Dansen dan maar.


November 29, 2016
Robbe Van Petegem