Dour 2015 - Go out with a bang

Plaine de la Machine à Feu, Dour, 20 juli 2015

Nog eentje dan, om het af te leren. Want vijf dagen is toch wel lang. Gelukkig waren er een aantal redenen om (kvl) en (pvg) toch nog richting festivalterrein te sturen.

Dour 2015</b> - Go out with a bang



“Onze naam is The Very Best, maar eigenlijk zijn jullie vandaag de allerbeste”, zo introduceerden ze hun optreden. En akkoord, we waren uit ons bed gesukkeld voor twee uur, maar voor zo'n compliment moeten we normaal iets doén.

Het zal de Maliwese mentaliteit wel zijn. De zanger kwam namelijk van dit allervriendelijkste hart van Afrika, maar de rest van de groep werd gewoon hier en daar van over de wereld bijeen gescharreld.

Als was het om de roots van de blues te demonstreren werd een riff gestart op elektrische gitaar, maar die werd door de laptop/ritmesectie al snel voorzien van een strakke, elektronische beat. De mengeling van dit alles met de zang van Esau Mwamwaya is wat deze formatie zo aanstekelijk maakt.

De stem van tweede zanger Jutty Taylor verschilde nauwelijks van die van Ezra Koenig van Vampire Weekend. In Makes A King, de titeltrack van hete nieuw album, viel dit enorm op, maar ook natuurlijk in Warm Heart Of Africa, een nummer waar Ezra op plaat al de stempartij voor zijn rekening nam. Het was een mooi begin van deze laatste dag.

Manchester, plaats van ontstaan van talloze, mythische bands. Ook GoGo Penguin komt er vandaan. Maar ze passen helemaal niet in het rijtje van Joy Division, Happy Mondays en andere Oasissen. GoGo Penguin zoekt het elders. Kamerbrede muziek, zonder zo platvloers te zijn als het gelijknamige tapijt komt dichter in de buurt.

Zoek het niet binnen het klassieke spectrum en al helemaal niet binnen de talloze takken van de popmuziek. Aan de jazz ontkom je waarschijnlijk niet, ook al is zelfs dat (te) beperkt. Want deze drie jonge gasten schrikken er niet voor terug om met piano, staande bas en (fantastisch) drumwerk te verwijzen naar laptopspecialisten, zelfs al hebben ze daar evenmin mee te maken. En ook de disco is in een song als Garden Dog Barbecue binnengeslopen.

De piano is belangrijk en voert als een klaterend bergriviertje misschien wel de boventoon ook al schrikt de bas er ook niet voor terug om uit te halen. En de drums... ja, de drums zijn als een stel vogels die over een golfplaten dak trippelen, maar dan in de maat. Het geheel is (jazz)traditioneler dan BadBadNotGood, maar nog steeds gegarandeerd intrigerend voor de popmeerwaardezoeker. En dat was precies wat stond af te lezen op de gezichten van de toeschouwers.

The Ex had Fendika en een bende bevriende Afrikanen meegebracht, die de eerste helft van het optreden op zich mochten nemen. Het werd een demonstratie van folklore; met een eensnarig instrument, djembe's en vooral traditionele dansen en stemgeluiden.

De pakjes die de man en de jonge vrouw droegen wisselden, en waren telkens beeldig, maar het gaf op de duur toch een beetje dat toeristische safarigevoel.

Zelf bleven de Nederlanders in de coulissen tot twintig minuten voor het einde. Ze deden een punknummer, een skanummer en een afrobeatnummer. Tijdens dat laatste mocht de zanger dansen met een stok naast de Afrikaan met een mes. Het ware vast een topattractie geweest op de expo in Gent van 1913, maar waren we ondertussen niet wat geëvolueerd van die stereotiepe beeldvorming?

Het werd aangekondigd als “punk” of zoiets, maar daar was weinig van te merken en dat is Eagulls ook helemaal niet. Postpunk ja, dat komt wel in de buurt.

Echt enthousiast leken ze niet, de mannen van Eagulls. De enige die nog voor wat animo zorgde, was frontman en witharige slungel George Mitchell. Die slingerde zich rond de microfoonstandaard als een (eerder middelmatige) leerling van Iggy Pop en snikte zich een weg door zijn teksten.

Maar ook dat bracht weinig leven in de brouwerij. Nochtans is er op dat debuut van dit kwintet van alles te beleven. Maar daarvan was dus weinig tot niks te merken in die tent. En het publiek reageerde volgens de logica: apathisch dus. Hier en daar bewoog er een eenzaam lichaam, maar verder ging het niet.

Tot de band er een punt achter zette met Possessed. Of dat nu te maken had met het nummer dan wel met de groep is niet helemaal duidelijk. Het kalf was toen hoe dan ook al met het badwater naar de zee gevloeid.

Ah ja, postrock, dat genre waarin geen woord gesproken wordt, waarin enkel maar scheurende gitaren en ander neusgepeuter worden bovengehaald. Da's dan buiten And So I Watch You From Afar gerekend. Zij geven dat genre een geheel eigen invulling en werden in Dour overrompeld door de respons van het publiek.

Begrijp ons niet verkeerd: het waren ook hier vooral de gitaren, die met harde hand regeerden. Maar dat er niet mocht gezongen worden, daar veegden zij hun Ierse arse aan. Ook al moest je zingen in dit geval ruim interpreteren. Vaak beperkte het zich tot "papapa" of "oh oh oh", maar de menselijke stem was wel aanwezig. En soms betekende dat een wereld van verschil.

Vanzelfsprekend werden de gitaren dan nog tegen elkaar uitgespeeld. In die mate zelfs dat de gitaristen Rory Friars en Niall Kennedy elkaar te lijf leken te zullen gaan. En natuurlijk waren de contrasten zacht/luid belangrijk. Het is nu eenmaal waar deze groep vandaan komt. Maar er werd ook ruimte gemaakt voor iets anders, hetgeen de puristen waarschijnlijk verafschuwden, maar de doorsnee festivalgangers in dank aanvaardden.

De goede, oude Van Jets staan nog eens op het Dourfestival. Voor de vijfde keer al, zo werd meegedeeld. En op de Cannibal Stage nog wel. Zo wreedaardig zagen ze er nochtans niet uit, de Oostendenaars. En het duurde ook wel even voor het publiek leek door te hebben dat hier gefeest mocht worden.

Dat had natuurlijk alles te maken met de opbouw van de set, waarin de hits werden opgespaard voor het einde. Want je mocht hier dan al voor de vijfde keer staan, dit bleef wel een festival en dan geef je de people what they want. Dit publiek was tenslotte naar deze tent gekomen voor... juist ja.

Frontman Johannes Verschaeve deed nochtans ook vooraf meer dan zijn best en behoort waarschijnlijk nog steeds tot de betere, Belgische entertainers. Hij daagde uit, eerst tot aan de dranghekken, later erover en op handen gedragen. Letterlijk dan. Maar vooraleer de hitcaravaan op gang werd getrokken met The Future bleek het publiek even vermoeid te zijn als het eruit zag. Pas daarna kwam het toch nog los.

The Van Jets kunnen desondanks nog wel even doorgaan. Er is nog een future, laat ons tot die conclusie komen. En dat was toch de bedoeling, niet?

Of dit een klassieke reünie is, valt nog af te wachten. Bedoeling is dat La Muerte een paar concerten gaat geven, waarvan dus één op dit festival. En net als dertig jaar geleden is ook nu de opkomst niet gigantisch, zij het waarschijnlijk om andere redenen. Naast de nostalgici en de jongeren van hart zijn er desondanks toch ook enkele jeugdige zielen opgedaagd. Nieuwsgierig naar de band achter de verhalen van vaderlief misschien, maar meer waarschijnlijk gewoon nieuwsgierig.

Het altaar met kaarsen en kelk moest voor een dreigend effect zorgen, net zoals de talrijke filmcitaten voor de nummers. En dan is er nog de juten zak over het hoofd van zanger Marc Du Marais (of daar gaan we toch vanuit). De stemvervorming maakt dat hij meteen zou kunnen in dienst genomen worden bij een deathmetalband, maar de muziek spreekt dat dan weer tegen. Daarin wordt meer richting naar hardrock ruikende blues gekoerst, ook al zijn uitstapjes naar voorzichtige hardcore (de opener) ook geen uitzondering.

Meer een curiositeit dan een (her)ontdekking, maar absoluut een keer de moeite. Al is het maar om geschiedkundige redenen.

Nils Frahm op een festival. Nu is hij echt wel zijn verstand kwijt. Want wat gaan die toch vaak breekbare deuntjes opboksen tegen de binnendruipende beats van de volgende tent? Wordt dat niet een poel van ergernis?

Maar de immer goedgeluimde Duitser liet die bedenkingen allemaal aan zich voorbijgaan en kwam op de proppen met een uit de kluiten gewassen set, die de concurrentie met de beste laptopkunstenaars kon aangaan. Maar dan zonder laptop, tenzij je dat massieve mixpaneel, dat hij meezeult als iets dergelijks aanziet.

Wat hij ook bij zich had: zijn massieve windorgel, waarmee hij je meteen de oren uitblies. En dan wordt je meegesleurd in die orkaan van geluid, die dat kleine mannetje op je afstuurt. Dan lijk je plotseling weer stemmen uit dat ding te horen komen; of een soort van gigantische panfluit. En dan pikt hij dat op aan die eigenaardige, uitgeklede barpiano - een Klavins 'Una Corda' upright piano, zo werd ons verteld – voegt er details aan toe, die hij dan aan zijn mixtafel een Vangelis- en/of Jarre-kleurtje geeft. Van het resultaat kan je alleen maar blij worden. Zeventien minuten in de zevende hemel, net zolang als het concert bezig was.

Nog zo’n verrassing: plotseling kwam uit de coulissen Olafur Arnalds tevoorschijn, die aan diezelfde piano samen met Frahm, die de vleugelpiano voor zijn rekening nam, een nummer speelde. Voor de setlist had hij er trouwens nauwlettend op gelet dat het nummers waren met een zeker volume; liedjes, die de concurrentie met het gejoel en getater vanuit de tent – iets dat je bij een concert van hem sowieso niet gewend bent - maar misschien nog meer met de feedback van de naburige tenten aankon. Het betekende dat heel wat van de songs een beat meekregen zonder de integriteit van die songs te verstoren.

Maar ook dan was er plaats voor de klassieke Toilet Brushes en voor het prachtige en van zweet druipende, want bijzonder intensieve Hammers. Het resultaat was een optreden om in te lijsten. Zo eentje dat een paar jaar blijft hangen; tot hij een volgende keer langskomt en waarschijnlijk weer iets helemaal anders uit zijn opgerolde broekspijpen tovert.

Het was de ideale afsluiter van een festival met – naar goede gewoonte – hoogtes en laagtes, maar met genoeg intrigerend spul om ons nu al te begeesteren voor de editie van volgend jaar.

Kristof Van Landschoot, Patrick Van Gestel

20 juli 2015