Crammerock 2017 Dag 2: de vrouwen zaten in de moshpits

Festivalterrein Crammerock, 1 september 2017 - 2 september 2017
Crammerock 2017

Als volgend jaar de dames van Femen opduiken op Crammerock, is dat om te protesteren tegen het gebrek aan vrouwen op de affiche van de editie van 2017. Alleen Coely moest opboksen tegen al die testosteron. In het publiek lieten de vrouwen zich echter niet onbetuigd: mee de moshpit in en zelfs crowdsurfen. Gelegenheid daarvoor genoeg op de tweede dag van Crammerock.

Een verkwikkende bierdouche

Een two man sound is zeker niet nieuw en toch blijven er bands opstaan die de uitdaging aangaan om met de beperking van zang, gitaar en drum nummers te maken. Vaak wordt energie als extra ingrediënt gebruikt. Zo ook bij Equal Idiots (al kwam er bij Toothpaste Jacky ook even een klokkenspel aan te pas.)

Maar we vertellen u niks nieuws want u kakelt ook al maanden dat u uw hoofd in de grond wil steken en als u u om half drie alweer op Crammerock was, stemde  u wellicht ook wel Hippie Man de Afrekening in.

Hoe dan ook, dit potje rammelrock was de boost die wij nodig hadden na een korte nacht. Die bierdouche bij de eerste moshpit van de dag was ook verkwikkend en die vijftig bommetjes testosteron die vooraan ontploften bij Ça Plane Pour Moi en Put My Head In The Ground maakten ons helemaal klaar voor dag twee.

Keuze zonder knoop

Ook de keuze tussen Habiba (Boef in de Club) en Habibi  (Tamino in de grote tent) was er een zonder knoop. De echte “Festivolhouder” bewees al op zowat elk festival (en twee keer op Pukkelpop) dat de eeuwig herhaalde vergelijking met Jeff Buckley niet eens zo dom was.

Helemaal alleen, met enkel zijn gitaar als metgezel, opende hij zijn set om dan de volgende twee nummers achtereenvolgens zijn toetsenist Tom Pintens en zijn drummer Tom Van Haute er bij te halen. Dit zorgde als vanzelf voor een zekere opbouw van de sfeer en de energie. En dat was nodig, want veel songs heeft de jongeman nog niet en ze zitten allemaal wel een beetje in diezelfde ingetogen sfeer.

Niet moeilijk ook: amper zes jaar geleden beleefde Tamino zijn eerst festivalervaring. Hij trok naar Pukkelpop, maar de storm zorgde er voor dat hij snel weer thuis stond. Om toch nog een leuk festival mee te maken, kwam hij toen met zijn maten naar Crammerock en nu stond hij hier op het podium. Dat vroeg om een Cigar!

Met Indigo Night, waarin hij op een resonator gitaar voor een lichte Oosterse toets zorgde, en natuurlijk ook afsluiter Habibi sloot Tamino zijn festivalzomer in stijl af. Benieuwd waar dit verhaal naartoe gaat.

Een diepe duik in het nieuwe materiaal

Absynthe Minded gunde ons een blik en vooral een oor op het nieuwe album dat er in oktober aankomt, vijf lange jaren na het vorige. Afgaand op wat we hoorden, wordt het een diverse verzameling songs, maar dat is bij Absynthe Minded altijd al het geval geweest. Al lijken er ons meer toetsen in verwerkt dan vroeger.

Afsluiter The Execution en nieuwe single Beam kenden we natuurlijk al maar meer dan de helft van de tijd stonden we te luisteren naar nieuwe nummers af en toe afgewisseld door ouder werk in een nieuw jasje zoals Space, My Heroics Part I en The End of The Line.

Het titelnummer van de nieuwe plaat, 'Jungle Eyes' bleek een van de gevoeligere songs; Living In The Moment ook. Maar Surrender heeft een spannende baslijn, met Mary verliet de band volledig het bekende terrein en A Bright Hour rolde serieus met de spierballen. Het maakte ons benieuwd en dat was wellicht de bedoeling.

Maar genoeg over de nieuwe songs, die krijgen we wel op 6 oktober te horen. Voorlopig feesten we nog wel even op toppers als Envoi en warmen we ons al op aan de twee singles.

Bommetje

The Imperial March uit 'The Empire Strikes Back' begeleidde The Sore Losers bij hun intrede. Er zijn minder indrukwekkende manieren te bedenken om een podium te bestijgen. Jan Straetemans en de zijnen hadden er duidelijk zin in.

De Limburgers tapten eerst diep uit hun laatste plaat 'Skydogs' en deden dat aan een verschroeiend tempo met flink wat gitaargeweld. Enkel in Can't You See Me Running en Emily ontwaarden we een vleugje blues.

Pas daarna, zeven songs diep in de setlist, werd met Gold In Them Hills een versnelling lager geschakeld. De band verzamelde rond de drum van Alessio Di Turi en vertrok vandaar langzaam heuvelopwaarts om dan terug snelheid te maken om drie songs later als een bommetje in Silver Seas te springen. Dit tot groot jolijt van vooral oudere rockfans. De jonge hengsten die bij Equal Idiots rond stuiterden waren nu in geen velden of wegen te bekennen.

Gitarist Cedric Maes liet het niet aan zijn hart komen. Hij reet Juvenile Heart aan stukken met gemene riffs daarbij voortgestuwd door de bas van Kevin Maenen. Ook in afsluiter The Tripper  – dat zowaar goed was goed voor de eerste vrouwelijke crowdsurfer van het weekend  –  liet hij zich nog eens goed gaan. Dit was immers een van de laatste grote shows van de band. The Sore Losers gaan nu werken aan een nieuwe plaat. Zien we hen over een jaar of twee weer hier staan?

Funky Rocker

De negenenvijftigjarige Paul Weller heeft in zijn carrière veel watertjes doorzwommen. Hij ging van working class boy naar working class hero en weer terug om dan weer de ladder op te klimmen. Hij is nog geen sir in eigen land, maar geniet wereldwijd aanzien. Hij is thuis in de punk, in de souljazz, in de wereldmuziek en sinds hij begin jaren negentig solo ging, doet hij zowat zijn eigen zin.

De man werd dit jaar voor de achtste keer vader en lijkt dus eeuwig jong te blijven al zat er op zijn stem vanavond wel wat ruis en had hij last van de rook op het podium. Nu ja, hij tourt al door Europa sinds eind maart in aanloop en naar aanleiding van zijn laatste plaat ‘A Kind Revolution’ die in mei verscheen. Nog twee weken doorgaan, dan even rusten en dan naar de VS.

Voor het podium veel mensen die Weller al kennen sinds The Jam en The Style Council en zij kregen Ever Changing Moods en Shout To The Top, maar Weller putte verder enkel uit zijn solowerk met het funky Into Tomorrow uit 1991 als oudste nummer tot Woo Sé Mama en het met een James Brown-gitaartje opgeleukte She  Moves With The Fayre uit zijn jongste worp.

Weller speelde een aangename set, al haalde het lange, introspectieve Porcelain Gods er wel de vaart wat uit. Dat Weller ook naar binnen kan kijken en toch blijven rocken bewees hij nochtans daarna met The Changing Man. Even later stuurde hij met Come On/ Let’s Go de tent in de armen van Flogging Molly.

Feesten zonder aan morgen te denken

De Amerikaanse Ieren van Flogging Molly vieren dit jaar hun twintigtigste verjaardag en doen dat nog steeds in de stijl waarmee ze destijds op The Devil’s Dancefloor sprongen: met tonnen energie, vaten vol Guinness en een punky attitude.

Eigenlijk zit de muziek van Dave King en co. vol maatschappijkritiek, maar de heren (en mevrouw King) beseffen dat er tegen de onzichtbare machten in de wereld toch niets te doen is en dat er voor de kleine man maar een ding op zit: zuipen en feesten om te vergeten.

The Hand of John L. Sullivan, uit hun in juni verschenen album met de ironische titel ‘Life Is Good’, stak de lont in het vat en algauw werd de tent meegezogen in een onweerstaanbare draaikolk van hossende en crowdsurfende zweterige lijven. Selfish Man en zeker oudje Drunken Lullabies met zijn opzwepende banjopartij zorgden voor blauwe plekken en platgetrapte tenen en zelfs op het katerlied The Worst Day Since Yesterday bleven de fans gaan.

Als oude hardrocker kon King het niet laten om de tent de naam van Lenny te laten scanderen toen hij een Motörhead-T-shirt ontwaarde in de menigte en om een streepje AC/DC en een lijntje We Will Rock You te verweven in Tobacco Island en Crushed.

En platgeslagen, zo voelden we ons na Deadly Drunken Sins. We hadden al te doen met Kele en co. die hierna zouden komen. Flogging Molly was opium voor het volk, maar de trip was wel geweldig. Wat kon daar nog tegenop?

Eigen Ding

Ook al stond er aan de overkant van de tent nog een honderdtal man “Flogging Molly” te scanderen, toch bleek het zelfvertrouwen van Kele Okereke  - naast solo-artiest ook nog altijd frontman van Bloc Party - onaangetast. En terecht natuurlijk: de band heeft sinds de eeuwwisseling een rits hits gescoord. En ook al is de band de laatste jaren de richting wat kwijt, toch volstond de back catalogue om gewoon hun eigen ding te doen en daarmee te scoren.

Opener Only He Can Heal Me werd uit de laatste plaat ‘Hymns’ geplukt, maar met Hunting For Witches, Helicopter, Flux en Banquet kwamen bijna alle grote hits langs. Tussendoor waren er ook nog hoogtepunten te beleven met Mercury dat voor de gelegenheid een vette streep baritonsax meekreeg en een knap opgebouwd Song For Clay (Disappear Here).

Het feestje was niet zo uitbundig en veel donkderder dan dat bij Flogging Molly, maar Okereke deed wel zijn stinkende best om de sfeer er in te krijgen, ook al zat hij waarschijnlijk al met zijn hoofd bij zijn soloplaat. En lukte dat niet sober, dan bestelde hij wel een Jägermeister en kondigde hij aan dat hij zelfs op een zaterdagavond in België high wilde worden.

Ging de band daarom even collectief af na The Love Within om een lijntje te snuiven? Wie zal het zeggen. Feit is dat het toen nog maar half een was en dus te vroeg om te stoppen. Met het mindere Stunt Queen werd dan ook nog een korte tweede ronde ingezet en na Helicopter, dat goed was voor een moshpitje, en het altijd heerlijke Flux, schoot Bloc Party de laatste “rocket from his pocket” af met Ratchet. Het deed de menigte shaken tot voorbij de bar dus dan kan je spreken van een geslaagde show.

Gat dicht tussen rock en elektro

“Am I giving you what you need” vroeg Mickael Karkouss in het tweede nummer (What You Need). Op dat moment was dat nog niet het geval, maar dat zou gaandeweg wel in orde komen al wilde het dansen niet meer zo vlot lukken aan het einde van een zware tweedaagse. Maar niet getreurd, wie nu nog wel genoeg Control had over zijn lijf, had gewon nog teveel drankbonnetjes ongebruikt in zijn zak zitten.

Goose zelf deed zeker niet moeilijk. Het volume werd diep in het rood gejaagd en alleen het beste uit hun vier platen werd op de danslustigen losgelaten. Zoals steeds werd het gat tussen rock en dance dichtgereden alsof het er gewoon niet was, vooral door de attitude van Dave Martijn die stoer en vlot wisselde tussen zijn Gibson Flying V en zijn synths.

Ook tussen de songs door liet Goose geen gaten vallen. De overgangen werden verzorgd alsof het een dj-set betrof. Na amper acht songs waaronder het pletwalskwartet Bring It On, Can’t Stop me Now, British Mode en Words hielden de Kortrijkzanen het al voor bekeken. Dat de tijd toch volgespeeld bleek, kwam door de soms lange, instrumentale overgangen.

Dat deze aanpak had gewerkt, bleek toen Goose werd teruggeroepen en met twee bisnummers het laatste restje energie uit onze vege lijven perstte. Wie nog zin had om een sit down mee te doen op Everybody, kon dat, maar na Synrise ging het licht echt uit.


3 september 2017
Marc Alenus (Foto's: Karel Uyttendaele)