BRDCST19 - Steve Gunn, Papercuts - Schitterende eenvoud, complexe schoonheid

Ancienne Belgique, 4 april 2019

In een programma dat bulkt van het experiment op allerlei vlakken zijn er enkele ankerpunten nodig. Op de eerste dag van BRDCST was dat Steve Gunn. En hij bewees met brio die plaats waard te zijn.

Alles is relatief. Dat geldt ook voor de muziek. Toen wij in de AB-Club de eerste festivalavond inzetten met Papercuts, waren wij eigenlijk wel gecharmeerd door dit trio dat toch al vijftien jaar meedraait. Allerlei invloeden kwamen op ons af waarvan Sophia en The Cure (zonder Smith) er maar enkele waren. Maar het bandje rond zanger-gitarist Jason Robert Quever leek dat allemaal mooi geassimileerd te hebben tot een eigen indiepopbrouwsel, dat ook vanwege de afwisseling die er toch in de songs zat, wist te bekoren. Maar toen moest de hoofdact nog komen…

En dan werd duidelijk dat er toch wel een verschil in niveau zat tussen wat voorafging en Steve Gunn, die elke keer dat wij hem aan het werk zien, weer een stapje verder lijkt te hebben gezet en alles wat hij doet zo belachelijk eenvoudig doet lijken, terwijl dat, ook al zijn wij zelf geen muzikanten, ongetwijfeld helemaal niet zo is.

Geen grote sier bij Steve Gunn. Dat hoeft ook niet: hij laat de gitaar en (dit keer ook) de band voor zich spreken. En hij heeft daar ook de songs voor; songs, die je meevoeren naar de wolken, ongeacht of het om schaapjesversies dan wel donkere donderexemplaren gaat; ze komen allemaal voorbijgewaaid. In de hem stilaan kenmerkende jeansvest speelt hij, het gezicht afgestreken – “I’m ok”, grapt hij in de bisronde als hij dat even aanstipt met de eerste echte glimlach van de avond om de lippen – het haar verwilderd, de blik op oneindig.

Als je dan denkt dat hij elders zit met de gedachten, heb je het ook helemaal mis. Wanneer hij Luciano inzet, ruim halfweg de set, wordt het getater in de zaal hem even te veel en vraagt hij vriendelijk, maar toch geagiteerd: “Please be quiet”, voor hij het nummer opnieuw begint. En het werkt, want de rest van de set wordt er aandachtig(er) geluisterd en veel minder gepalaverd.

Van ‘The Unseen In Between’ zijn wij hoe langer hoe meer weg. Het was dan ook prachtig om alle nummers van die plaat voorbij te horen komen. Pas dan valt het op hoeveel nuances je mist als je ze gewoon op plaat beluistert. Bovendien schrikt Gunn er niet voor terug om een outro te laten uitlopen, het tempo aan te passen of een stukje aan te passen middenin een liedje. Uitschieter bij uitstek op dat laatste vlak was afsluiter Paranoid waarin halverwege de hel losbrak in de vorm van een feedbackstorm. Gunn deponeerde de gitaar bovenop de versterker en liet de chaos razen, terwijl hij aan de rand van het podium uitgestrekt lag, om even later gewoon de draad weer op te pakken, alsof er niks gebeurd was.

In Lightning Field was het prachtig om zien dat de man de hele nek van de gitaar als vanzelfsprekend aftastte in een zinderende gitaarsolo. Hier werd ook meteen duidelijk dat de band zich enorm amuseerde. New Familiar toonde aan dat elk gitaarriedeltje was uitgekiend, terwijl er evengoed plaats in was voor een rauwe solo. Of er was de volkomen logisch lijkende overschakeling van groot naar klein in Luciano.

Het laatste nummer van de meest recente plaat, Morning Is Mended, werd voorbehouden voor de bisronde en werd solo gespeeld voordat er werd afgesloten, net als er begonnen werd, met een nummer van ‘Way Out Weather’. Het titelnummer van die plaat leek soms bijna reggae te zijn, voor het dan keer op keer uit dat keurslijf brak. Grappig was ook dat hij, alsof hij in het Sportpaleis stond, het publiek een beetje halfslachtig aanzette tot handen zwaaien.

Steve Gunn heeft de gitaarsong naar een volgend niveau gebracht, een niveau waarin schoonheid gepaard gaat met (ogenschijnlijke) eenvoud. Dan ben je – in verhouding - een klassebak.

5 april 2019
Patrick Van Gestel (Foto's: Tricky Troostie)