A Place To Bury Strangers - Opkikker

Trix, 29 april 2018

Zondag; en het regent. Dan heb je al wel eens een schop onder je hol nodig om te voelen dat je nog leeft. Enter A Place To Bury Strangers.

 

Van acclimatisatie was er geen enkele sprake bij voorprogramma Buck Gooter. Van bij de eerste euh ... noot werd er rondgesprongen, gegromd en gegrold alsof zanger-elektronicus William Brett werd achternagezeten door een bende vers bloed ruikende vampieren. Hij liet ook letterlijk het achterste van zijn tong zien terwijl hij op en neer sprong, tegen een verzameling ijzerwaren aan trapte en af en toe de apparatuur bijstelde.

Zanger-gitarist Terry Turtle, op gerespecteerde leeftijd en het grootste deel van zijn hoofd in het bovenste deel van een maliënkolder gestopt, beperkte zich tot enkele dronerige akkoorden en nam het meer ritmische deel van de songs voor zijn rekening. Het had iets van Sleaford Mods meets Raketkanon en klonk dadaïstisch aanstekelijk. Interessant voorprogramma, zeker op het podium. Of het op plaat ook iets is, laten wij dan weer in het ongetwijfeld links geöriënteerde midden, maar Henry Rollins is in elk geval fan.

Of Henry Rollins ook iets heeft met A Place To Bury Strangers is onduidelijk, maar wij zijn alvast verslaafd aan de uitspattingen die het trio zich veroorlooft. En die livereputatie werd ook nu weer alle eer aangedaan. Niet dat de show vormelijk zo veel verschilde van de vorige keer dat we hen aan het werk zagen, maar dan nog blijft het een voorrecht om dit drietal telkens weer dat publiek te zien overtuigen en ademloos te laten toekijken.

Nieuwe drumster Lia Simone Braswell heeft zich in elk geval op relatief korte tijd een meer dan anoniem plaatsje verworven tussen gitarist Oliver Ackermann en bassist Dion Lunadon. Dat had niet enkel met haar stem te maken, die vanaf opener We've Come So Far haar plaats opeiste terwijl Ackermann als door een zwerm wespen achternagezeten het podium afschuimde. Meer nog, in Harp Song trad ze solo op de voorgrond, zichzelf begeleidend op de autoharp. Het was een stijlbreuk met de andere songs van de band, breekbaar tegenover breekijzer, maar tegelijk ook verstillend mooi.

Verder geselde de band haar toeschouwers met snoeiharde, snerpende gitaren over soms ongrijpbaar aanstekelijke baslijnen. Straight blijft daarvan het voorbeeld bij uitstek met die new wavebas, die je niet loslaat voor de song uitsterft. En intussen spuugt Ackermann zijn teksten in de rechtopstaande microfoon, daarbij het hen na aan het hart liggende shoegaze-genre meteen alle eer aandoend.

Uiteraard moest één van de gitaren er al na twee songs aan geloven. Dat instrument was trouwens al gemolesteerd, niet dat dat Ackermann belette om er volop op te raggen. Dat de draagriem niet meer kon bevestigd worden, was daarbij geen bezwaar. Meer nog, later zou hij een andere (nog wel volledige) gitaar ook zonder draagriem hanteren.

Dat de nieuwe songs fier overeind bleven tussen ouder werk bleek uit de versies van There's Only One Of Us (met opnieuw een prominente rol voor drumster Braswell) en Never Coming Back, dat werd ondersteund door een extra tomtom voor Ackermann, die de ritmesectie dan de vrije loop liet, om het nummer uiteindelijk met een bijtende noisesolo met drumstick af te sluiten. De recensies van 'Pinned' zijn dubbel, maar als je de songs hier hoorde, deden ze nergens onder aan het oudere werk.

Uiteraard was er het elektronische tussendoortje in het publiek, dat jammer genoeg enkel voor de directe omstaanders zichtbaar was en dus ook een beetje de flow brak, maar daarna werd de draad heel snel weer terug opgepakt om dan met vaste afsluiter I Lived My Life to Stand in the Shadow of Your Heart een definitief punt te plaatsen achter wat opnieuw een topshow was.

Misschien is het nieuwe er na al die jaren een beetje vanaf na bijna twintig jaar, maar dan nog is dit een opkikker voor wat aanvankelijk weer een druilerige zondag leek te worden.

 

30 april 2018
Patrick Van Gestel