The Wombats Alle energie in een uur

Alle energie in een uur
Op  het moment dat wij de Botanique binnenstruinen, wordt koortsachtig gewerkt om het materiaal van The Wombats uit te laden en te installeren opdat hun optreden die avond kan doorgaan. Matt “Murph” Murphy is net even weg om een sigaretje te roken. In het “Musée” ontmoeten wij intussen drummer Dan Haggis, gewapend met een ukulele. Dezelfde ukulele (voor $ 25 te koop) trouwens die later op de avond zal worden gebruikt om Kenneth Clarke’s Beard te bezingen.

In het museum van de Botanique worden foto’s uit oorlogsgebieden tentoongesteld. Haggis is behoorlijk onder de indruk. “Het is een beetje surreëel om popliedjes te gaan spelen in dergelijke omgeving, terwijl je uitzicht hebt op zoveel ellende,” geeft hij schamper toe. Maar dat neemt niet weg dat die liedjes je humeur een behoorlijke boost kunnen geven. The Wombats hebben met hun debuut bewezen dat ze doorhebben hoe ze een goede popsong moeten schrijven. Daarvan staan op ‘The Wombats Proudly Present Tales Of Girls, Boys And Marsupials’ genoeg voorbeelden.

Als Murph uiteindelijk terug opdaagt en er wordt voorgesteld om het interview in het café te houden, lijkt hij Haggis met zijn ogen te smeken om ons te vervoegen. Als we dan uiteindelijk in een hoekje terechtkomen, wordt al snel duidelijk waarom Murphy er niet van houdt om op z'n eentje interviews te geven. Voortdurend zit hij op zijn nagels te bijten en kijkt hij schichtig rond alsof hij iemand zoekt om hem hiervan te verlossen. Het eerste wat hij doet is naar een folder van de geplande optredens in de Botanique grijpen. Als we hem vragen of er iets in staat, dat hem aanspreekt, antwoordt hij bonding met “Niet echt”. Op de vraag wat hem dan wel aanspreekt, krijgen we namen als  Scott Walker, The Clash, The Beatles en John Lennon voorgeschoteld. Maar daar dieper op ingaan wil hij duidelijk niet.

De liedjes van The Wombats geven allemaal de indruk van een onbezorgd leven. Maar dat is slechts schijn, aldus Murphy: “Over het algemeen klopt dat wel, maar er zitten ook donkerdere dingen tussen. Moving To New York bijvoorbeeld.” Als we hem dan vragen waar dat vandaan komt, blijkt het niks met zijn jeugd te maken te hebben: “Noem het escapisme. De teksten gaan bijna allemaal over het alledaagse leven. Ik veronderstel dat het voor mij psychotherapie is. In dit soort vrolijk klinkende muziek ga ik mijn duivels te lijf.”

De oudste liedjes dateren alweer van twee jaar terug. In de tussentijd werd er uiteraard enorm veel getourd. Misschien wordt er al gewerkt aan een nieuw album, en dus vragen wij ons af hoe dat gaat klinken. Maar zoals steeds is het antwoord eerder ontwijkend. Murphy: “We hebben al wel enkele nieuwe songs, maar nog geen enkel idee wat het verder zal worden”. Intussen heeft Haggis ons vervoegd: “Het is waarschijnlijk nog te vroeg om daar iets over te zeggen. Als we een aantal liedjes klaar hebben, hebben we daar waarschijnlijk beter zicht op.”  Haggis lijkt wel de complete tegenpool van Murphy. Waar de laatste niets liever zou doen dan terugkruipen in zijn hol, vertelt de ander honderduit. Het cliché dat tegengestelden elkaar aantrekken, lijkt hier nog maar eens bevestigd.[pagebreak]

Als we het over het ontstaan van de songs hebben, steekt Haggis meteen van wal: “Ze groeien op een organische manier. Een song wordt pas opgenomen nadat we het pakweg honderd keer hebben gespeeld. Ze veranderen dus. Misschien zijn het slechts nuances die gelegd worden, maar als je de eerste keer vergelijkt met de vijftigste, zal je kleine verschillen opmerken. Je probeert nu eenmaal zaken uit om het geheel fris te houden.” Op de vraag of dat ook geldt voor de teksten, volgt het bondige antwoord van Murph: “Soms veranderen ze, maar eigenlijk is het vooral de manier waarop we een nummer brengen, die verandert. De teksten zijn hoe dan ook even belangrijk als de muziek.” Haggis is het daar niet mee eens. “Beiden kunnen gerust op eigen benen staan. Maar als de teksten goed zijn, worden ze door de muziek nog naar een hoger niveau getild,” aldus de drummer.

Het album is intussen behoorlijk succesvol. Alle zalen die het trio (bassist Tord Øverland-Knudsen is niet aanwezig bij het interview) aandoet, zijn steevast uitverkocht. Dit succes hadden ze duidelijk niet verwacht. Haggis: “Toch niet op deze manier. Sommige fans zijn drie uur onderweg om ons te kunnen zien of ze nemen het vliegtuig vanuit Letland. In Australië speelden we elke avond voor zo’n duizend man. Dat is moeilijk te bevatten.” Maar het boezemt hen geen angst in: “Het is nog geen beatlemania. Scott Walker vertelde ons dat in de tijd dat hij bij The Walker Brothers zat, hun auto een keer werd omgekieperd. Dat moet pas angstwekkend zijn.”

Op het hoesje van de cd prijkt een kast vol onbenulligheden die met de nummers van The Wombats te maken hebben. Nee, dit is niet de kast van één van hen, gewoon een idee van een graficus. Haggis: “Daar staat inderdaad van alles op. We hebben bijvoorbeeld een nummer dat Theme Park Blues heet, dus werd er een schilderij van een pretpark tussen gezet. Eigenlijk is het een verzameling van dingen die we verzameld hebben zoals een dom gedichtje dat we ooit schreven, dat soort dingen. Op zekere manier is het dus eigenlijk wel onze kast”.

Maar wat we eigenlijk echt willen weten is waar de energie vandaan komt waarmee ze hun publiek overweldigen. “Geen idee,” antwoordt Haggis laconiek. “Wij vragen het ons soms ook af. Voor het optreden liggen we allemaal te slapen in de dressing room. Tien minuten voor het zover is, pompen we elkaar op, slaan we elkaar een paar keer in het gezicht.” Maar het is vooral de wisselwerking tussen publiek en band die het hem doet: “In Amsterdam stonden er per song zowat tien mensen op het podium om te kunnen crowdsurfen. Er was zelfs eentje die een volledige flip deed en maar amper werd opgevangen door het publiek. We hebben zowaar het nummer even stopgezet. Eigenlijk zit al onze energie in dat ene uur van de dag.”
Pas bij de herinnering aan dat moment, lijken Murphy's ogen even op te lichten: “Wij hebben ook gestagedived. Ze brachten ons de hele zaal rond en dan terug op het podium. Dat was gewoon een perfecte avond.”


November 8, 2008
Patrick Van Gestel