Sukilove Ik kan veel mensen het slechte pad op sturen

Ik kan veel mensen het slechte pad op sturen

Hij kan begeesterd praten over opnametechniek. En ook de jonge bands waarmee hij werkt doen zijn hart sneller kloppen. En dan is er uiteraard nog Sukilove. Meer dan genoeg stof om een boeiend gesprek met Pascal Deweze aan te knopen.



Tussen ‘Static Moves’ en ‘Drunkaleidoscope’ zit zowat drie jaar. Je hebt onder andere bands als Geppetto & The Whale en Oscar & The Wolf geproducet. De recensies van die platen zijn positief. Streelt dat je ego?
Pascal Deweze: Helemaal niet, dat is de verdienste van die jongens. Als je productie doet, gaat dat niet over de kwaliteit van die productie, maar over het succes van de plaat. Als de nummers goed zijn en de verkoop draait, straalt dat af op de producer. Maar ik heb minstens even veel goede platen gemaakt, die niemand heeft opgemerkt en daarvoor schaam ik me evenmin. Dat hoort er gewoon bij. Een derde van de platen die ik doe, haalt de radio niet. Dat zou aan de keuze van de bands kunnen liggen. Maar niet iedereen komt op de radio of speelt het spelletje van de radio mee. Doe je dat niet, val je algauw naast de mand. Dat een plaat het goed doet, is een opsteker voor mij, maar niet meer dan dat.

Geppetto zijn hun richting nog aan het zoeken. Veel van hun nummers zijn toegankelijk. Het worden ongetwijfeld goede muzikanten met een brede smaak. Ze willen ook wel iets als Radiohead doen, maar ze zijn nog jong en moeten hun ‘The Bends’ nog maken. Binnenkort komt de plaat van Blackie & The Oohoos uit. Daar ben ik veel verder kunnen gaan wat betreft texturen. Toegankelijke nummers interesseren hen niet. Zij zoeken hun eigen, donkere pad. En ook dat is super.

Komen er ook bands met wat meer ervaring bij jou terecht?
Oudere bands werken over het algemeen liever met de iets bekendere, professionele, oudere garde. Ik zie mezelf als producer meer allround. Ik begeleid ze op het vlak van attitude, klank, structuur, … al wat ze nodig hebben. Maar ik zie mezelf niet iets in een specifieke richting doen.

Staf Verbeeck bijvoorbeeld, voormalig eigenaar van de Jet Studio, is een echte vakman op het gebied van opnemen. Die neemt wat meer afstand van de productie, die bemoeit zich minder met de muziek. Ik ben meer van de nieuwe generatie, voor wie alles één geheel is: productie, microfoons, songtekst, … Daarvoor komen jonge groepen naar mij. Zij kunnen zowel de sound als de attitude gebruiken. Die hebben vaak nog geen duidelijk idee van wat ze met die studio willen doen. Oudere artiesten hebben vaak al een duidelijk idee van waar ze naartoe willen. Ik zit gewoon in een andere niche. Waarschijnlijk zal dat evolueren als ik ouder word. Maar ik maak voornamelijk debuutplaten. En daarin zit heel veel energie. Je kan heel veel mensen het slechte pad opsturen. (grijnst).

Heeft dat werken met zo’n jonge wolven een effect op je eigen werk?
Absoluut, ik heb nu uiteraard wat meer ervaring, maak al muziek vanaf mijn zestien, zeventien jaar. Ik ben dus al bijna twintig jaar zo goed als elke dag met muziek bezig. Ik heb ooit een plaat met Bed Rugs opgenomen. Die gingen een paar keer op een blinde muur af. Maar uiteindelijk vonden ze daar een oplossing voor en gingen ze gewoon door. Dan ben je verrast. Ik zit op een leeftijd dat je onbewust terugvalt op automatismen. En die jonge groepen houden mij fris. Daar leer ik van bij. Zij betalen mij zodat ik iets kan bijleren. Da’s toch ideaal.

In de bio is er sprake van twee drummers. Kan je daarover iets kwijt?
Ik heb veel geluisterd naar dingen van Warp en dergelijke, dingen die aan elkaar werden geplakt. Maar ik wilde dat dan herscheppen. Dat zijn dan bijvoorbeeld twee basdrums die kort na elkaar vallen, maar die werden gearrangeerd als één groot drumstel. Die ritmes zijn te complex om met één drummer te spelen.

De meeste nummers waren nog niet helemaal klaar toen we startten met de opnames. Dus begonnen we met ruwe versies van de songs. Die werden opgenomen en zo eindigde ik uiteindelijk met een bizarre samplebibliotheek. Die stukjes zijn zo in elkaar gepast dat de drummers op geen enkel moment hetzelfde spelen. Voortdurend spelen ze naast elkaar. Dat gaat live waarschijnlijk nog verbeteren.

Toen de eerste nummers dan uiteindelijk afgewerkt waren, herkenden de muzikanten ze vaak niet eens meer. Ze hadden daar slechts een paar uur aan gewerkt, hadden intussen andere dingen gedaan en plotseling leek dat iets heel anders, zat daar een andere baslijn onder of iets dergelijks.

Live gaat dat nog evolueren omdat de muziek aan de ene kant heel complex is, maar aan de andere kant is de structuur eronder, de blauwdruk heel erg strak. En rond die blauwdruk kan je improviseren rond lengte, gevoel, tempo, overgangen, ... Sterker nog: na twintig optredens gaat dit veel beter klinken dan op plaat.

Hoe ga je dat op het podium aanpakken?
We hebben vijf repetities. Ik speel met heel goede muzikanten en daardoor zitten hun agenda’s ook eivol. Die vijf repetities liggen dus al heel lang vast. Dat betekent ook dat we af en toe van muzikanten zullen wisselen. Pieter Van Buyten, onze oude bassist, komt bijvoorbeeld een paar keer meespelen. Stoffel (Verlackt, drummer, nvdr) wordt af en toe vervangen door Milan Warmoeskerken van Blackie & The Oohoos. Ook de gitarist van die band en de gitarist van Flying Horseman (Bert Dockx, nvdr) vallen af en toe in. Dat gaat spannend zijn, ook al heb ik het volste vertrouwen in die muzikanten. En de nummers kunnen daardoor wel iets wijzigen.

Dan zal er ook geïmproviseerd worden?
Waarschijnlijk wel. Niet de eerste vijf optredens, maar nadien gaat dat veranderen. Dat was ook zo met Broken Glass Heroes. Op die plaat stond er een nummer dat vier minuten duurt, maar bij onze laatste optredens duurde dat elf minuten. Dat gaat hier ook gebeuren.

Is promotie voor jou eerder een noodzakelijk kwaad?
Zo ver zou ik niet gaan. Als ik dit niet doe, kan ik mijn echte liefde niet zo goed uitoefenen. Maar eenmaal de plaat klaar is, zou het van mijn kant gedaan moeten zijn. Ik zou me niet meer moeten verdedigen. Het is wel belangrijk dat dit onder de aandacht wordt gebracht. Maar op zich moet je muziek niet uitleggen. Ik weet niet meer van wie het citaat is, maar iemand zei ooit: “Talking about music is like dancing about architecture.” Je kan erover praten, maar je raakt er geen meter mee vooruit.

Interesseert het je dan niet om te weten wat er achter een bepaalde song zit?
Niet verder dan mijn eigen uitleg van die song. Muziek moet je voornamelijk voelen. Als je even geen rekening houdt met teksten, is het principe hetzelfde als voor architectuur, schilderkunst, enz. Het is een gevoel van mystiek. En hoe abstracter dat gevoel, hoe moeilijker het te duiden valt. Ik kan met de mooiste woorden proberen uit te leggen waarom dat nummer van Radiohead mijn favoriete song is, maar het is nog altijd beter ernaar te luisteren. Misschien maak ik het net kapot met die woorden. Promotie is reclame, aandacht, het marktkrameraspect, maar het heeft niks te maken met hoe goed het fruit is.

Nochtans benader je een plaat anders, eens je met de artiest gepraat hebt.
Uiteraard, maar is dat dan goed of slecht? Ik ben gevleid dat je hier nu zit en aandacht aan mijn plaat wil besteden, maar het spel is al gespeeld. Het is een goede plaat of je vindt er geen bal aan.

Niet te veel vragen over de nummers dus, maar deze kunnen we toch niet laten: steek je niet een beetje de draak met je luisteraars in Beatlessnake?
Daar heb je het al: jij hebt iets gezien in dat nummer en ik heb dat zo niet bedoeld. Er zit humor en ironie in die plaat, maar niet echt in dat specifieke nummer. En nu moet ik dus oppassen om dat bij jou niet naar de kloten te helpen.

Maar vooruit dan, wat dit specifieke nummer betreft: ik ben zo intens met muziek bezig en dat neemt zo’n groot deel van mijn leven in, dat ik de mensen rondom mij daardoor vaak tekort doe. De drie elementen van de muziek: harmonie, melodie en ritme komen hier terug als Beatles, Beach Boys, Beefheart. En op het einde van die song projecteer ik dat op mijn persoonlijk leven. Dat eerste deel van de song, de muziek, beneemt zo veel van mijn tijd dat dat laatste deel, mijn persoonlijk leven, erbij inschiet. Dit is in feite een halve verontschuldiging.

Uiteindelijk is de plaat ook gewoon een soort stream of consciousness. We zijn begonnen in februari en aan het einde van de vakantie moest hij af zijn. Ik heb geen budget, geen platenfirma, geen kunstenaarsstatuut of iets dergelijks. Na vijf maanden moest de plaat klaar zijn want dan was mijn tijd en mijn geld op. En dat is goed: ik weet niet of de plaat beter was geweest als ik er drie jaar aan had gewerkt. Daardoor werk je intuïtiever.

Ook met Blackie & The Oohoos was dat zo. Dat album moest in veertien dagen worden opgenomen, nog wat mixen en klaar. Dan krijg je dingen waar je achteraf van zegt dat je die beter had kunnen uitwerken, maar aan de andere kant zitten zo veel spontane energie en ideeën. Dus vijf maand aan een plaat werken is ruim voldoende.

Betekent dat dat je met een volledig wit blad begint, dat je niks hebt?
Niets meer dan fragmenten van ideeën. Voor Beatlesnake had ik bijvoorbeeld dat ene zinnetje (zingt): “I’m a Beatlesnake.” Dat zat al een tijdje in mijn hoofd. Twee avonden voor we dat gingen opnemen, had ik verder nog steeds niets. We hebben toen gediscussieerd over het samenvoegen van Arabische en westerse invloeden. Dus toen het zo ver was, heb ik gewoon besloten daarvoor te gaan: die Arabische muziek – waar ik toen veel naar luisterde – werd gewoon in dat nummer geïntegreerd. Dus over de Arabische ritmesectie hebben we dat westers nummer gespeeld. Dat is het soort intuïtieve beslissing waar ik bijzonder blij om ben. Als ik dan meer tijd had gehad, was ik misschien beginnen twijfelen.

Voor het maken van de foto op de hoes heb je een bericht op Facebook gepost. Is het ook effectief via die weg dat je een kunstenaar hebt gevonden?
Uiteindelijk niet. Op die post kwam een lawine van reacties, veel meer dan ik ooit had verwacht. Daar ben ik dus niet doorheen geraakt. En ik had iets eerder al een beeld gezien van een Amerikaan. Hij was bereid om zijn beelden aan de plaat te verbinden. En nu moet ik al die mensen die gepost hebben dus nog antwoorden. Maar het blijft verbazend hoe veel impact Facebook heeft.

Had de kunstenaar de plaat gehoord? 
Toen niet, maar intussen heeft hij ze wel gekregen. Zijn beelden waren er al toen ik aan de plaat bezig was en eentje daarvan hebben we in licht aangepaste vorm voor de hoes gebruikt omdat dat zo goed paste bij het beeld dat ik had bij de titel ‘Drunkaleidoscope’. En hij heeft het dan verder afgewerkt.

Klopt het dat deze plaat iets toegankelijker is, dat we beter konden volgen?
De harmonische structuur is zeker niet eenvoudiger geworden, maar de ritmiek is bewust veel duidelijker gemaakt. ‘Static Moves’ is veel ijler, donkerder, trager ook. Nu wou ik iets heel ritmisch. En die twee drummers stonden meteen al vast. Daardoor dringt de rest misschien gemakkelijker door.

Heeft het teruggrijpen op de new wave daarmee te maken?
Ik heb vooral veel geluisterd naar no wave zoals Liquid Liquid, ESG, … Dat soort spullen heeft zeker een rol gespeeld. Onze opnamestudio, Studio Jezus, is redelijk klein. Bij de vorige plaat hadden we alles door het gebouw gejaagd en aan sommige nummers heb ik dan gitaarreverb toegevoegd . Maar bij deze hebben we oude, analoge reverbbakken gebruikt. Bij no wave hoor je ook heel vaak de kamer, de directheid van die zang, met zijn allen in dat kamertje. Deze plaat heeft natuurlijk niet de agressie van no wave, maar klankmatig zijn er wel gelijkenissen. De snare wordt automatisch soms wat harder, wat dieper in de mix gezet om grootsheid te suggereren.

Soms klinken de drums zelfs metalig.
Er werden tweeëneenhalve snare gebruikt: de hoofdsnare is heel droog, de kleine snare klinkt al heel wat hoger en korter en soms gebruikten ze ook nog een heel hoge tomtom, die ook een beetje als een snare klonk. Door de bijgeluiden leidde dat inderdaad soms tot dat soort klanken. Maar die klanken vullen elkaar aan.

Sommige klanken zijn pokkedroog en clean opgenomen, andere dan weer met heel veel distortion en dan hebben we er ook nog opgenomen met oude microfoons uit de jaren dertig. Als je daarop dan veel oude reverb draait, krijg je die metalige klank. De warmte van het laag is weg en er zit ook geen hoog in. En daar dan reverb op, misschien is het die klank die je hoorde. 

Wij zijn in elk geval bijzonder benieuwd hoe dat allemaal zal gaan klinken.


February 22, 2013
Patrick Van Gestel